Heils termen - pagina 21
11
en rotsklippen, der bosschen en waterputten zelfs worden uitdrukking eener zinrijke gedachte. We behoeven slechts herinneren aan wat de Brief aan de Hebreen van „Melchizedek, te den koning van Salem," zegt, om de vèr reikende beteekenis der steden,
der
g-eberg-ten
gewijde namen voor ieders bewustzijn te verlevendigen: „Koning der gerechtigheid," en wederom: „Koning des vredes," is de diepe zin, die naar luid der gewijde verklaring, in die namen schuilt. Men weet hoe Noach's en Samuel's, hoe Jozua's en Salomo's namen ons de heerlijkste profetiën ontvouwen. Men herinnert zich hoe voor Jesaia de naamgeving zelfs een onmiddellijke profetie w^erd, die in de namen „Schear-Jaschub" en „Mahêr-Schalal-Chasbaz" lag uitgesproken. Maar wat bovenal een helder licht over de naamgeving werpt, is de Naam-
Oud
en Nieuw Testament telkens tegentreedt. wordt door Gods genade in een nieuw en beteekenisvol leven veranderd. En zoo ook wordt de oude, zinlooze naam met een naam van geestelijke beteekenis verwisseld. Levensvernieuwing en naamverwisseling houden gelijken tred. Als geroepene de Vader Gods is de Abram, van Ur der Chaldeën, de Abraham
verwisseling, die ons in Het oude zondig leven
—
der menigte geworden. Saraï w^ordt, als moeder der patriarchen. Sarah, „de vorstin" genaamd. De „Jakob" naar zijn vleeschelijken aard, wordt de „Israël" in het Eijk der belofte. En evenzoo in de dagen des Nieuwen Yerbonds wordt Petrus naam in dien van „Eotsman" (Cephas) veranderd; zijn Zebedeus zonen de „Boanergen" genaamd;
Saulus tot Paulus omgezet, en Joses, toegenaamd „Barnabas," 36). zoon der vertroosting (Hand. lY is
d.
i.
:
Toch is bij de dragers der Openbaring de naamsherstelling zoo min volkomen als de herstelling van hun innerlijk wezen. Die volkomenheid van den naam konit eerst met Hem, die de volkomenneid met den Zone Gods. Eeeds de des wezens in zich draagt: profetie had in de namen van Immanuël en Jahvé-ziddekenii („Godmet-ons" en „de Heere onze gerechtigheid"), het wezen van den Middelaar zoeken uit te drukken. En nu eindelijk de volheid der aanbreekt en het „Woord" vleesch zal worden, ziet nu, wat beteekenis en gewicht de „Naam" van zijn heilig Kind voor den nu zendt Hij zijnen Engel èn tot Maria èn tot Vader heeft, Jozef, en laat het door die dubbele verschijning beiden aanzeggen: dat de naam van dat Kindeke „ J e z u s" zijn zal, ter uitdrukking van het werk, waartoe Hij van den Vader verordineerd was; „want Hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden." sprak de Engel Nemen wij dus den „Naam" en het „Wezen" als twee lijnen, dan zien wij die beide lijnen in Eden elkander volkomen dekken, na den zondeval al meer ui teen gegaan, op het gebied der Godsopenbaring steeds meer tot één neigend, en eindelijk weer volkomen samenvallend in den „Hersteller en Behouder," die aan tijden
—
—
—
het menschenhart terugschonk, wat het in
Eden
verloor.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's