Dat de genade particulier is - pagina 198
188 niensch als
er
dan
zoo
diep
van
binnen
Gods Woord wordt
bij
mijn hart
bij
kon!" En
eerst,
op^eslag:en, en hij daar hoort lezen
van
een „wederbarinji- die God aan de ziel door zijn Woord, onder de bevruchting des Geestes ondergaan doet", eerst dan komt hij tot de belijdenis: „Zoo, ja zóó is het ook in mij tot stand gekomen. Gods Woord verklaart mij, wat in mijn hart is geschied!" Wat nu ziilk een zielservaring met het gladschaven van een stuk hout of het pletten van een blok ijzer te doen heeft, zij ter beoordeeling gelaten aan wie geestelijk deze dingen onderscheiden kan. Wij voor ons verklaren met allen ernst van „de machine" niets meer te bespeuren.
anderen toch, zoo hoort men den tegenstander dan toch verloren huiteit hu?i schuld! al wilden ze, dan konden ze toch niet zalig worden. Immers maar zonder intentie van redding voor stierf voor zondaren,
„Maar dan nu invallen,
Want Jezus
de
die anderen die gaan
hen!"
Op die tegenbedenking zouden we om ons eens één enkel persoon aan
liefst
te
met het verzoek antwoorden,
wijzen, die door Jezus' zoen-
dood had willen gered worden en van het heil was uitgesloten. Want dat en dat alleen is toch eigenlijk de vreeslijke gedachte, die bij het opkomen van deze bedenking als een torment zich op de ziel werpt.
Men stelt zich dan duizenden bij duizenden voor, die, walgende van hun zonden, met oprecht berouw tot Jezus hun toevlucht nemen en zich met zuchten en tranen voor hem nederwerpen, hem aanen dat Jezus dan roepende: „Heere Jezus, wees cms genadig!" antwoordt: „Het doet mij leed, maar er is niets voor u aan te doen. Gij zijt niet onder de uitverkorenen. Dus niau ik u niet redden!" En natuurlijk, die gedachte is zoo onuitsprekelijk heiligschennend en rechtstreeks indruischend tegen de eere en de heerlijkheid van Gods barmhartigheden, dat ook wij geen oogenblik aarzelen, om het zoo stellig mogelijk uit te spreken: „Indien dat er in zit, dan is die leer gansch goddeloos." Maar wel zeer verre van daarmee de zaak als uitgemaakt te beschouwen, beschuldigen we veeleer onze tegenstanders, dat ze aldus sprekende, een bezwaar voorwendfn, waarvoor hun elke grond en waartoe hun elk recht ontbreekt. Immers, zulk een bedenking kan alleen op feiten steunen. Op het feit van personen, die met oprecht berouw Jezus als hun Zaligmaker hebben willen aannemen, en door Jezus, op grond van het besluit der verkiezing, zouden zijn afgewezen. En overmits hier nu niemand ooit iets zekers van zeggen kan (vooreerst wijl niemand in eens anders hart kan lezen, om te weten of zijn berouw^ oprecht is; en ten andere, naardien eerst de eeuwigheid
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's