De leer der Verbonden - pagina 125
!
115
dan is dit voor ons doel geheel hetzelfde of God verbond sloot, eer Eva er was. Immers het feit staat vast, dat het verbond met één persoon in het enkelvoud en wel met Adam gesloten werd. En wat lezen we nu in Gen. 3 2, 3? Dit, dat Eva ditzelfde, aan Adam alleen gegeven, verbod op zichzelve met volkomen gelijke kracht toepast. Ze zegt toch tot de slang: „Van alle boom dezes hofs zullen wij eten, maar van de vrucht des booms die in het midden van den hof is, daarvan heeft God gezegd: Gij {meervoud) zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij {meervoud) niet sterft." Verbind nu in uw gedachten die twee opmerkelijke omstandigheden: 1*^. dat God de Heere uitsluitend aan Adam het verbod en dus ook het verbond geeft; en 3". dat Eva nochtans als van een geheel vanzelf sprekende, onbetwistbare en volmondig door haar toegestemde en dus ook aan Adam bekende zaak, er van spreekt, dat dit aan Adam gegeven verbod (en dus ook verbond) ook voor haar en immers, wat bewezen moest van even gelijke geldigheid is, worden, is bewezen. Dit namelijk: dat Adam uitnemend wel geweten heeft, dat dit verbod en verbond niet alleen zijn persoon, maar door en in zijn persoon al wat mensch heette of heeten zou, evenzeer het enkelvoud aan,
met
Adam
dit
:
—
aanging.
dus niets zwevends of onzekers in deze verbondssluiting. Het terdege een aparte onderhandeling. Er werd een gebod op conditie van leven en een verbod op conditie van dood gegeven. Door den aard van het eeuwige leven dat als loon werd voorgesteld, wist Adam, dat het niet maar een tijdelijke afspraak, maar wel terdege de voor eeuwig beslissende zaak was. Dat het niet hem alleen, maar al wat mensch heette of zou heeten, aanging, blijkt duidelijk En te onderuit vergelijking van Gen. 2 16 met Gen. 3 2, 3. stellen dat Adam de bedingen had afgeslagen of niet toegestemd, wordt weersproken zoo door Eva's gesprek met de slang, als doordien Adam zich na den val hiermede niet verontschuldigt; en zou bovendien in Adam een onwil tegenover God stellen, die vóór den val ganschelijk ondenkbaar is. Het eenige waarop men dus heeft te letten, is dat in dit proefgebod als in een kern heel de wet Gods inzat. Daarom hebben we vroeger reeds aangetoond, hoe letterlijk alle geboden in dit ééne proefgebod besloten lagen. Maar moet er nu nog in de tweede plaats, op het voetspoor van Augustinus en Calvyn, op gewezen, hoe dit gebod kort en goed de quaestie stelde Gods wil boven en uw lust onder of wel: Gods wil opgeofferd aan uw lust! Het proefgebod raakte dus niet slechts, maar was zelf de tegenstelling tusschen God en ons ik, d. i. tusschen den wil des Heeren en den wil van het creatuur. Nu onderwijst, gelijk men weet, de Heilige Schrift ons „dat de mensch van nature de wet in zijn consciëntie heeft." Zelfs van den
Er
was
is
wel
:
:
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's