De leer der Verbonden - pagina 159
149 lichaam,
ziel
en
geest, drievuldig in
en aan
Er kan noch mag dus ook de minste
Hem
verheerlijkt wordt.
twijfel bestaan,
of
Adam
der rechtheid metterdaad dit driesoortig leven bezeten. Hij had het leven des lichaams, het leven der ziel én het leven des geestes. Maar, en hier komen we nu op het alles-beslissend heeft
in
den
staat
onderscheid, Adam kon elk dier drie levens verliezen; wat Adam bezat was een verlieshaar goed. Adam kon verliezen én het leven van zijn lichaam, én het leven van zijn ziel, én het leven van zijn geest; en hij verloor het werkelijk.
Maar hoe? Indien de Schrift ons leert, dat de gevallen Adam den dood sterven moet; den dood in volstrekten zin; en dat hij dus én zijn lichamelijk én zijn redelijk én zijn geestelijk leven kwijt raakt, wil dat dan zeggen, dat Adam vernietigd werd en dus ophield te bestaan? Dat is zoo ongeveer de onware voorstelling van die velen in onze dagen, die ook onder de orthodoxe belijders weer de dwaalleer verspreiden, dat de verlorenen na den oordeelsdag vernietigd worden, en dat er dus geen eeuwige straf zou zijn. Vooral in Engeland en Frankrijk drijft men dat sterk en ook in ons land vindt deze ondiepe voorstelling reeds voorstanders.
Deze voorstelling nu werpt de geheele leer der Heilige Schrift over leven en dood omver. Nooit, nergens wordt in de Heilige Schrift „leven" gelijkluidend genomen met „bestaan", noch ook „dood" voor eensluidend genomen met „bestaanloosheid". Een zondaar is dood in zonden en misdaden. Niet overdrachtelijk zoo half wel en half niet, neen, maar wezenlijk. Toch bestaat die zondaar nog wel terdege. Neen, „leven" in dieperen zin beduidt, dat ons bestaan is zooals het behoort, aan zijn eisch beantwoordt en zijn richtige werking doet; terwijl „dood" in zijn diepere opvatting zeggen wil: iets dat nog wel bestaat, maar anders dan het moest, dat niet beantwoordt aan zijn bestaansdoel, en een tegenovergestelde werking kreeg. Als ge geestelijk dood zijt, dan wil dat niet zeggen, dat er nu geen contact tusschen u en den levenden God meer bestaat, maar dat uw bestaan tegenover uw God vlak verkeerd is geworden, dat ge Hem niet liefhebt maar Jiaat, en dat zijn aanraking u in plaats van een zalige gewaarwording, een verwijtende gewaarwording van toorn in de ziel doet ervaren. Als ge naar het leven van uw rede dood zijt, dan wil dat niet zeggen, dat er nu geen wil, geen gevoel, geen gedachte meer in u werkt, maar omgekeerd, dat deze drie nog wel terdege in u werken, doch zoo dat uw wil tegen de redelijke wereldorde ingaat, dat uw gedachte zich van de wezenlijke wijsheid afkeert en dat uw gevoel valsch werkt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's