Het heil in ons - pagina 123
113
wandelen zouden." Maar omdat hij teeder met zijn ziel en God en niet zich zei ven zoekt, vergaapt Paulus zich niet aan zijn goede werken en waakt hij er wel tegen dat die goede werken hem geen oorzaak van zelfverheffing worden. En daarom broedt hij niet over die goede daden, en behaagt er zich zelf niet in, en blijft er met zijn gedachten niet bij verwijlen, maar is maar aldoor bezig met dien diepen, vreeslij ken hinder, dien het zijn ziel geeft, dat hij in dat andere nog niet overwon, en die andere hebbelijkheid nog niet meester is en over zich zelf gedurig reeds onvoldaan, nu denkt: „God is nog meerder dan mijn hart! o, wat zal het dan in zijn heilig oog zijn!" Daarin steekt al het verschil. Een „gemaakte" vrome sluit het oog voor zijn zonde en tuurt met trotsche overlegging op het goed dat hij reeds deed. „o Ik dank U, roept zulk een uit, dat ik niet ben, gelijk die anderen; zie, ik vast driemaal per week, ik geef aalmoes!' en wat niet al. Terwijl, omgekeerd, een „uit God geboren" vrome, die werkelijk veel meer goede daden doet, er toch niet om denkt, er niet meê bezig is, er zijn ziel niet bij ophoudt, maar nog altijd worstelt, hoe van het hem aanklevend verderf af te komen, en daarom op de knieën valt en zich op de borst slaat en het uitroept: „o. God, wees mij, arm zondaar, genadig!" o. Wat dunkt u, zou ook de tollenaar in den tempel soms een nog onbekeerde geweest zijn? De man, van wien Jezus getuigde, dat hij heenging „gerechtvaardigd naar zijn huis"? Evenzoo is %o. te oordeelen van het standpunt waarop deze worstelaar tegenover de Wet Gods staat. Yan tweeërlei standpunt tegenover de Wet des Heeren is in de Heilige Schrift sprake. Aan den éénen kant staan de aardsche, wereldsche geesten, de hooghartigen, die op hun eigen arm vertrouwen, en die Gods Wet niet willen, die Wet verwerpen en tegenstaan, en zoo dikwijls die Wet op hen aandringt,, die innerlijke vijandschap voelen opwaken. En aan den anderen kant vindt ge den armen dienstknecht van Jehovah, van wien het heet: „Zijn lust is in de Wet des Heeren!" en die betuigt: „o, God, uw Wet is al mijn vermaking ;" die „ze bepeinst bij dagen en bij nachten," en telkens weer zoo ziels verrukkend ervaart „hoe uw geboon mij tot daarin
wij
staat
uw
wekken!" men nu ook hier, aan welke dier beide kanten de klager uit Eomeinen zeven staat, dan is het ons volstrekt onbegrijpelijk, hoe men ook hier nog een oogenblik aarzelen kan. „Zoo stem ik de Wet dat ze goed is", en aan het slot: „Ik heb een vermaak in de toe, Wet Gods naar den inwendigen mensch", zijn toch, dunkt ons, zoo liefde
"Vraagt
dat het van heeler harte partij kiezen voor de^Wet van Jehova zijn roem en zijn eere blijkt te wezen. Toch zal ook bij deze opmerking een woord tot toeüchting niet te onpas zijn. Immers men kan vragen, en vragen met recht, of er dan ook onder stellige uitspraken,
III
8
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's