De leer der Verbonden - pagina 99
89 Dit alles saamgenomen toont derhalve, dat God de Heere zijn wil wet niet pas op Sinaï, en ook niet pas in de Noachitische geboden, heeft bekend gemaakt, maar reeds had bekend gemaakt, zoodra Hij een mensch op aarde schiep.
en
Hiermee kan uiteraard niet bedoeld zijn, dat de woorden van de der Tien geboden reeds in het paradijs door den Heere onzen voor de ooren van Adam en Eva zouden zijn uitgesproken. Het wil dan ook alleen zeggen, dat er een innerlijke wetsopenbaring plaats greep, door een werking van Godswege op hun zedelijk bewustzijn, zoodat ze een grens tusschen het gebodene en verhodeuQ kenden, en tot een volbrengen van het gebodene zich konden aangorden. Alleen over het Sabbatsgebod kan ten deze geschil ontstaan, omdat sommiger zedelijk bewustzijn op dit stuk niet reageert. Maar hoewel we ongetwijfeld ook den Sabbat tot het paradijs herleiden, laten we, om niet in zijpaden af te dolen, dit punt thans liefst buiten overweging.
Wet God
Nu ontstaat intusschen de vraag, op wat wijs en waardoor de volbrenging van deze geopenbaarde wet kon aanvangen. Echtbreuk, om hiermee eens te beginnen, kon niet bedreven worden, zoolang er slechts één man en één vrouw was. Te stelen viel er niet, zoolang men niemand had, wien men zijn eigendom zou kunnen betwisten. Aan wie wou Eva kwaad van Adam, of Adam kwaad van Eva hebben gesproken? Dat Adam Eva niet doodsloeg, was evenmin de overwinning van een verzoeking, als het ons in den iin zou komen, indien we op een onbewoond eiland waren, den eenigen persoon die bij ons was, van kant te maken! Toen het arbeiden in het zweet des aanschijns nog niet bestond, kon er geen sprake vallen van schending des Sabbats door knechtelijken arbeid. Vader en moeder niet te eeren was ondenkbaar bij de eerste twee mensehen die geen vader of moeder of leermeesters of overheden hadden. Hoogstens kon Eva die gehoorzaamheid tegenover Adam betrachten. Hij, Adam, niet. Ja zelfs indien men doordringt tot de geboden, die rechtstreeks den band tot God raken, dan moet er toch een iets, een hoe gering iets ook, zijn, waarin tusschen God en iets of iemand anders te kiezen viel. Er had dus, ware het bij deze algemeene Wetsopenbaring gebleven, wel ontwikkeling van zonde in fijneren, dieperen zin bij Adam kunnen plaats grijpen, maar geen zondige, bewuste daad, die tegelijk tot verbrijzeling had kunnen leiden. Juist om de wet te laten werken, moest er dus wel een speciaal verbod komen, en omdat de natuurlijke aanleiding tot wetsovertreding nog niet denkbaar was, moest dit proefgebod wel een wilkeurig karakter dragen.
Er was niets meer noodig dan dat God Meer hoefde niet.
zei:
„Dit
?iiet!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's