De leer der Verbonden - pagina 57
!
47 heid was altijd en is en zal altijd blijven, gelijk God ze besteld heeft en ver or dineer d. „De menschen zullen scheutjes uit één Hij heeft verordineerd stam zijn," en dus vormen ze ook één stam. Hij heeft verordineerd: „Door den oorsprong van den één uit het zaad des anderen, moeten allen in hun substantie bijeen behooren", en dus behooren ze ook bijéén. En zoo ook heeft Hij verordineerd: „Omdat alles bijeen behoort, kunt ge den een niet vast leggen in het Verbond, of vanzelf :
allen verbonden," en dus sluit ook het Yerbond dat God met ons aanging „al onze geslachten" in. En dit voert ons dieper nog. Want immers het gaat toch niet aan, om te zeggen: „Ja, naar oorsprong en naar den bloede bestaat er tusschen de menschen verband en samenhang, maar geestelijk staat ieder op zich zelfT' Wat oppervlakkige redeneering! Alsof ge dan uit eigen ervaring maar niet al te droef wist, wat onloochenbaar verband er tusschen uw bloed en uwe zonde bestaat Niet wist, hoe pijn uw minzaamheid verjaagt, en congestie u den wrevel naar het aangezicht doet vliegen. Alsof ge in uw kinderen niet uw eigen aard, uw eigen neiging, helaas! God zij ze genadig, uw eigen zonden hadt teruggevonden. Neen waarlijk, een mensch is niet een ziel gestoken in een vleeschen standbeeld, maar één naar ziel én lichaam. En dies wordt ook bij het heilig Godslam niet slechts een Kruis, maar ook een Opstanding ten derden dage beleden. Beleden van ons zelf niet slechts een eeuwig leven, maar ook een opstanding van het vleesch. En staat dit nu vast, mag noch kan dit geloochend, hoe wilt ge dan dat het lichamelijk aanzijn der menschen onderling wel saam zou hangen, maar dat er tusschen hun onderscheiden geestelijk aanzijn geen verband zou bestaan Dit is ondenkbaar, en dankbaar belijden we dan ook, op grond van Gods W^oord en aan de hand onzer Gereformeerde, dat is gezuiver de Christelijke, belijdenis, dat ook het zedelijk en geestelijk leven van de kinderen der menschen uit twee deelen bestaat; het ééne, dat ieder persoonlijk alleen voor zich doorleeft, en het andere dat hij gemeen heeft met de anderen. En wel zoo, dat ook deze beide deelen weer niet als olie en water onvermengd op elkaar worden gegoten, maar veeleer, omgekeerd, in dien zin, dat de vezelen van het persoonlijk leven op elk punt uit den bodem van het gemeenschappelijk leven opschieten; zóó zelfs dat voor ons menschen nergens een punt is aan te wijzen, waar we van een schuldige zouden kunnen zeggen: „Hier begint nu hetgeen alleen voor zijn rekening komt, en waar ik geen part of deel aan heb." Schuld en zonde omsluiten in een onverbreekbare gemeenschap heel de massa en heel het geslacht der zijn
menschen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's