Nadere verklaring - pagina 13
11
verplicht
is.
Dat daarentegen,
militairen
bij
de begeerte naar een onderscheiding
in
en
bij
de wet ondersteld en
wordt, als wel ter dege kunnende aanwakkeren
daden, die anders allicht waren uitgebleven,
burgers, gebillijkt
tot
het doen van
blijkt uit
de drie wetten
zelven, waarbij onze drie ridderorden zijn ingesteld. In den consi-
derans
dier
allereerst
drie wetten toch staat bijna
met dezelfde woorden,
dat de Militaire Willemsorde bedoelt aan te zetten tot
daden van dapperheid, die men wil uitlokken. Er staat toch letterlijk, dat „het uitzicht op zulk een onderscheiding bijzonder geschikt is tot opwakkering en aanmoediging van krijgshaftige daden." Evenzoo zegt de wet waarbij de Nederlandsche Leeuw is ingesteld, dat „het uitdeelen van vereerende onderscheidingsteekenen een heilzamen invloed kan oefenen op de aankweeking van deugd en kennis", terwijl, voor wat de Ridderorde van Oranje Nassau aangaat, ook wat in het belang der Maatschappij geschiedt, met name genoemd wordt. Bij de Militaire Willemsorde is verleening ervan,
na bepaalde daden,
zelfs vaste regel. Natuurlijk
het verschil tusschen de algemeene
en
de aansporing die zich richt
tot
erken ik
strekking van zulk een wet,
een bijzonder persoon, maar
dit verschil
kan, mits van geen aangegane verbintenis sprake
toch
zulk eene beteekenis erlangen, dat in het bijzondere
nooit
zij,
geval afkeuringswaardig zou zijn, wat in zijn algemeene strekking wordt geloofd. Tot wat men voorts in het V. V. opmerkte omtrent een tweede decoratie, doe ik het zwijgen. Waar toch zou het heen, bijaldien deze Kamer zich niet bepaalde tot het beoordeelen van regeeringsdaden, genomen besluiten en ingediende wetsontwerpen, maar ook poogde in te dringen in geheel voorloopige overwegingen en in de onrijpe schema's en concepten, die een minister voor zich zelf in klad ontworpen had? Slechts ten overvloede, en geheel ongehouden, verklaar ik dan ook, dat op de voorloopige, nog niet bij den Ministerraad ingediende lijst, die voor 31 Augustus 1905 door mij was opgemaakt, de naam van den bedoelden persoon niet voorkomt. Wel had ik aan een mijner geachte ambtgenooten gevraagd, of, indien weder een Amsterdamsch koopman mocht worden voorgedragen, niet ook aan hem, die een onzer geestverwanten scheen te zijn, kon worden gedacht. Maar, al werd de naam Lehmann (zonder voorletters) dientengevolge op een geheel voorloopige lijst genoteerd, hij werd daarvan later door dien ambtgenoot weder geschrapt.
En vraagt men mij nu ten slotte, of ik dan toch niet voel, dat ik in genoegzame voorzichtigheid io. kort schoot, zoo aarzel ik niet, om op zich-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 28 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 28 Pagina's