Heils termen - pagina 196
:
186
m
Heidenen geven tot uw erfdeel en de einden der maar eerst dan golft die stroom des Welbehagens Israëls ]\Iessias tegen, als de Yader, in den Zoon Zijn eigen Wezen zoekend, Hem als het leven van Zijn leven heeft toegeroepen „Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd!" Van het „Welbehagen" in Gods eeuwigen raad, dus van het welbehagen in menschen vóór den zondenval, geldt geheel hetzelfde. Geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, was de raensch van Gods geslacht en aan het eigen leven Gods met zijn menschelijk leven verwant. Er was dus iets uit God, iets goddelijks, iets van goddelijke gelijkenis in hem, en de Yader, die alleen de Volmaaktheid, d. i. Zichzelven en het Zijne mint, kon das alleen om dat goddelijke in 's menschen ziel op den mensch Zijn welbehagen doen rusten. Of wil men, ook buiten den raad der Verlossing, lag de menschheid in den Zoon saamgevat. De Vader zegt: „De Zoon is mijn vermaking," (Spr. 8 30) en de Zoon antwoordt: „mijn vermakingen zijn met de menschenkinderen." Ook eer nog van verwerping gerept is, getuigt Johannes in zijn proloog, dat in het Woord d. i. in den Zoon en Ik
ij
aarde
tot
zal
de
uw
bezitting,"
en
in
:
het
leven
De Zoon
het
leven het licht der wereld was. (Joan. 1
in het „Beeld des onzienlijken Gods." isaar dit Beeld
:
4).
de In den diepsten zin was het dus de Zoon, d. i. het uitgedrukte beeld van 's Vaders zelfstandigheid, w aardoor de liefde des Eeuwige tot welbehagen over het kind der menschen werd verwekt. Niet anders eindelijk mag het Welbehagen Gods bij Bethlehem's Kribbe en over de in Christus verlosten worden verklaard. Waarom ontlokt juist Bethlehem's Kribbe aan de hemelsche heirscharen den psalmtoon van „W'^elbehagen in menschen?" Immers, wijl met het Kindeke op jMaria's schoot weer iets uit God, iets goddelijks in ons menschelijk geslacht is opgenomen en dus in Bethlehem weer het voorwerp gezien wordt, waarop de liefde Gods, die slechts Zichzelve is
mensch geschapen.
mint, in Welbehagen kan afstralen. „In menschen welbehagen!" dat is in Efrata's velden nog slechts profetie, maar profetie, gelijk ze in het Godsrijk steeds was, waarin de kiem en afschaduwing van het Wezen zelf reeds lag, en dan eerst komt de vervulling van dit profetisch jubellied der Engelen, als God de Heilige Geest zelf in 's menschen ziel ingaat, woning maakt in het diepst zijns Wezens, zijn hart zich ten tempel kiest, en dus het goddelijk leven in ons het goddelijk Welbehagen wekt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's