Practijk der godzaligheid - pagina 101
93 zondaren ons te gedragen hebben tegenover het lijden, de moeite en de vernieling waarmee ons de natuur overkomt en aanvalt, én in de gewone moeite des daags of de ordinaire gevaren des levens, én in die buitengewone plagen, die slag op slag den zondaar nazetten en verontrusten. Wil God de Heere in zijn Woord, dat we tegenover die ons bevervolgende, smart aandoende en vernieling over ons dreigende, brengende natuurmacht lijdelijk stil zullen zitten, dan wel, is het zijn wil, dat we er in den naam onzes Gods tegen zullen strijden? In deze ééne vraag zitten velerlei gewichtige vragen in. Laat ons daarom beginnen bij het eenvoudigste. En dan sta ook hierbij de ootmoedige, Gode betamelijke belijdenis op den voorgrond, dat „niets ons bijgeval, maar alle ding van zijn vaderlijke hand ons toekomt" ; de belijdenis, dat God de Heere niet enkel in het buitengewone, maar evengoed in het gewone en ordinaire is; kortom de stellige en besliste erkenning dat de Heere onze God, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, ook geheel die natuurmacht alzoo in zijn hand houdt, dat ze als zijn schepsel, „zonder of tegen zijn wil zich noch roeren noch verwegen kan.''' God is God en blijve God. Wie God geen God laat is goddeloos. En alle godsvrucht, alle inniger vroomheid van ons gereformeerd, naar den Woorde Gods gezuiverd, belijden bestaat daarin, dat d. i. de gereformeerde kerken alleen onder alle, dat absolute „God God laten" weer aan hebben gedurfd, of, laat ons liever zeggen, er weer als
iöe zijn verwaardigd.
Hieruit
volgt
dus,
dat
alle
scheiding
ten deze, alsof het gewone
en de gewone moeite buiten God Almachtig omging, en alsof God de Heere ons alleen in bijzondere plagen ontmoette, voor de Schrift geoordeeld is, en in geen gereformeerde van ziel en zinnen lijden
kan bestaan. We hebben
dus al hetgeen uit de stof, uit de elementen, uit de natuur in al haar omvang ons bedreigt, moeite aandoet en slaat met smarten en met plagen, zonder eenig onderscheid en zonder de minste uitzondering te beschouwen, als door God ons aangedaan, voor ons beschikt en over ons gebracht. Zie maar, na den val, hoe het toegaat. God de Heere zegt het den mensch duidelijk aan, dat de natuur van nu aan een. vreeselijke macht, een schriklijke vijandin, ja een doodvijandin voor den zondaar is geworden. Na de schepping had God Adam een kroon opgezet en hem tot koning over al het geschapene, over heel de natuur, over gansch de aarde uitgeroepen. „Vervult de aarde en onderwerpt haar!" was het aanstellingsdecreet, waardoor de mensch tot heerschappij voerder werd; tot overste der wereld.
Nu
daarentegen, na den
val,
hoe
is
het
nu omgekeerd
!
Nu
wordt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's