Dat de genade particulier is - pagina 66
56
raamd hebben:
„Ze zullen wel verloren gaan; maar wie weet, ik wilde ze toch zoo van heeler harte nog allen redden; laat mij alzoo een oogenblik doen als wist ik niet, dat ze sterven zullen in hun zonde, en alsnu een plan van redding ontwerpen, waarbij ik een oogenblik uit mijn goddelijke gedachten wegzet en vergeet, wat ik nochtans zie en weet." En nu geven we volkomen toe, dat zulk een strijdige overlegging in den mensch van stof alleszins vallen kan. Vooreerst doordien zijn kennis van wat de uitkomst zijn zal, altijd onzeker blijft; en ten andere wijl hij boven zich altijd een God heeft, die mogelijk maken kan, wat hem ondenkbaar scheen. Maar hoe het mogelijk is, dat men zulk een kortzichtig en tegenstrijdig overleggen en beramen zich in den hoogen God denkt, dat, we komen er rond voor uit, dat verstaan we niet. Of hoe, zou er dan ooit in God een gedachte kunnen opwellen, dat .er, hoe dan ook, ergens een nog hoogere macht bestond, die dit onmogelijke in mogelijkheid zou verkeeren? Maar immers dat zou gansch goddelooslijk het stellen van nog een hooger God, boven den levenden God zijn, wat gansch dwaselijk gedacht ware en den Heere onzen God in de Godheid zelf van zijn goddelijk wezen ophief.
we
zijn er verre van blind voor en weten het maar al te aan de gevoeligheid van ons eigen hart, dat er ook bij de belijdenis van de particuliere genade een ontzaglijk raadsel overblijft, hoe die Vader van alle barmhartigheid zulk een uitkomst heeft gewild, en op die sombere, donkere bedenking komen we wel zeer zeker Zie,
pijnlijk
terug.
Maar wie daarom nu meenen mocht, gelijk zijn,
En
staan
en
dat
die vergeet één
dat
aan
beide
dat die twee dus nog maar kanten de moeilijkheden even zwaar
voornaam ding. het nog heel
iets anders is, of ik iets niet rijmen kan met een zedelijke eigenschap in God, die ik afmeet naar wat ik er van aan menschen bespeur, of wel dat ik iets leer wat in strijd is met die wezenseigenschappen die aan God als God alleen eigen zijn, en dus geen oogenblik inbreuk dulden of Hij zou ophou-
den God
En
dat
is
dit:
dat
te zijn.
nu
juist is hier het ge^'al.
Wezenseigenschap Gods is het: God te zijn en dus niets boven zich te weten, en derhalve nooit een éénig oogenblik de gedachte in zich te kunnen toelaten, alsof er door een macht boven Hem nog mogelijk iets te veranderen viel, aan wat naar zijn goddelijke voorwetenschap, niet gered worden zal. Eu wijl nu de leer der algemeene genade ons aanspreekt: God wist wel van eeuwig, dat b.v. Judas niet zalig zou worden, en toch heeft God bij het maken van zijn heilsplan gedacht: Wie weet of er
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's