Heils termen - pagina 202
192
maar
als
gevloeid,
tot 's
één saam ge wassen,
tot
een heilige eenheid saam-
Heeren welbehagen ontmoet den Christus in ons en ons
Chr istus.
in
„wonen
Het
we
in
het
in
ons"
tegenstelling
komt derhalve dan eerst tot zijn recht, zoo nemen met een vluchtig vernachten. Een
avonds
om
een nachtverblijf aan de deur der op het hem vreemde leger ter ruste, bij het krieken van den dageraad verder. Hij kwam niet „om woning te maken," maar om binnen die muren rust te zoeken voor een enkelen nacht. Op die tegenstelling tusschen een door trekkenden gast en een inwonenden huisgenoot zinspeelt de profeet Jeremia, als hij zoo wegslepend hartroerend Israëls klachte voor der Vaderen God uitstort: „O Israëls verwachting, zijn Verlosser in tijd van benauwdheid waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten?" Tegen zulk een vluchtig vernachten nu staat het inwonen, tegen zulk een „komen om te gaan" het blijvend vertoeven, tegen den straks verder reizenden gast de met ons samenwonende huisgenoot over. Het is de bede om een wonen Gods in ons midden, de zielsbegeerte „Keer weder en wijk niet van ons," de verzuchting der Emmaüsgangers: „Blijf bij ons, want de dag is gedaald," die in dit profetisch woord doorleefd is. De belofte: „Ik en de A^ader, wij zullen komen en woning maken, is de tegenstelling tusschen de Geestesbedeeling des Ouden en Nieuwen Verbonds, tusschen voor en na den Pinksterdag. Woning maken in ons, dat is, voor eeuwig bij ons zijn intrek nemen, om nimmermeer te scheiden, of wilt ge, het is de vertolking van wat de Catechismus aan het slot van antwoord 53 zegt: „en eeuwig zal blijve-n." Is hiermee de eenig ware beteekenis van dat „wonen in en onder ons," helder geworden, dan is de gevolgtrekking licht gemaakt. Wie als huisgenoot in ons leven en onzen levenskring wordt opgenomen, weeft de draden van zijn persoonlijkheid door de. draden van ons denken en lieven, van ons streven en onzen arbeid heen; zijn volk is ons volk, zijn God is onze God hij deelt in onze smart en verblijdt zich met ons in onze vreugde. Kortom, hij blijft niet een op zich zelf staande persoonlijkheid, maar gaat in geheel ons leven in. Zoo dus ook het wonen onder ons van den Zoon en den Heiligen Geest. Als het goddelijke tot ons nadert, tot ons ingaat en bij ons wonen zal, dan blijft dit goddelijk leven niet onvermengd en werkeloos in een verborgen schuilhock van ons hart besloten, maar wordt al meer in geheel ons bewustzijn, in onze geheele persoonlijkheid, in geheel de sfeer van ons leven opgenomen. Zij al in het hart, waar de uitgangen des levens zijn, de oorsprong van deze innige vereeniging, toch blijft ze tot dat hart niet besloten, want ons hart is niet geheel ons aanzijn. We hebben ook een bewustzijn, ook een leven klopt
reiziger
herberg en reist
:
hij
des
trekt er in, legt zich
!
:
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's