Het heil in ons - pagina 228
218 doorleeft, als het met heimwee terugziet naar de tente des kinderlijken geloofs, die het ontvluchtte. Eigen, persoonlijke ervaring leidde tot dezelfde uitkomst. Aandoenlijk was het nog onlangs in Guizots testament de ootmoedige bekentenis te lezen van de bittere teleurstelling, die hij met zijn afzwerven van Gods Woord had ingeoogst. Dat zijn getuigenis waarde heeft, springt in het oog. Een man, die door voor- en tegenstander om het zeerst als uitstekend genie, als uitnemend geleerde, als beleidvol staatsman en edel karakter geprezen wordt; een schrijver van naam zooals weinigen, een sieraad van Frankrijks letterkunde, een krachtige figuur, die een halve eeuw in de hoogste staatsambten zijn vaderland diende, de lotgevallen van Frankrijk en daarmee van Europa beheerschte, is een te zeldzame verschijning, om niet te rekenen met de bevinding van zijn hart. En zie, deze zeldzame man roept van zijn sterfbed de Christennatiƫn toe, dat hij ook eens gemeend had buiten Gods Woord en zijne genade in Christus de ware wijsheid, de echte kracht te zullen vinden, maar dat zijn wijsheid dwaasheid bleek, en dat toen eerst de rustige kracht, de stille vrede, de hoogere levensenergie in hem is teruggekeerd, toen hijzelf teruggekeerd was tot zijn ouden Bijbel en aan den voet van het kruis van Golgotha ontferming en genade gevonden had. Op die heerlijke belijdenis geeft elk hart, dat afdoolde en terugkeerde, een vollen weerklank. Schier niemand die thans in het belijden van den Christus zijn zaligheid vindt, of hij heeft de dagen gekend, toen hij Gods Woord met wantrouwen aanzag en luisterde naar de verleidelijke stem Beproef het zonder dat Woord met uw dorst naar kennis en streven naar deugd! En eerst scheen dat een opleven, eerst scheen het zijpad goed gekozen, en werden werkelijk dagen doorleefd, dat de polsslag der ziel hooger sloeg. Maar hoe ras zelfbegoocheling, vrucht van overspanning, bedrieglijke bleek het illusie; en wie dankt niet nog zijn God voor dat onuitsprekelijk teedere en zalige, dat zijn ziel doorstroomde, toen hij het eindelijk
oogenblikken
!
opgaf en weer de liefde van zijn Heiland genoot? Waar ligt dit aan? Daaraan, dat God zich niet te aanschouwen geeft? Of daaraan, ons gezichtsvermogen te zwak is, om op te merken wat van
dat
God
kennelijk is?
en in niets komt de ellende der zonde zoo verstomptheid van onzen geest, die blindheid van ons zielsoog, die onaandoenlijkheid van ons kenvermogen, om waar te nemen, te vatten en te doorzien wat er van God kennelijk is in zijn werken. Dat ligt niet aan wat wij zwakheid van vermogens, stompheid of onbevattelijkheid noemen, want juist bij de ontwikkeldsten van ons geslacht, bij de diepzinnigste geleerden, bij de begaafdste mannen is Stellig
smadelijk
aan het
uit,
laatste,
als in die
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's