De leer der Verbonden - pagina 164
154 nog verder uitwerkt, en eerst door bijkomende genade middel tot kenbaarmaking van onze ellende wordt. Maar dan ook onder bet Verbond der werken is er sprake van een leven dat met weinig begint en eerst allengs wassen en groeien terwijl het leven dat onder het Verbond der genade den moet, goddelooze toekomt, gansch volmaakt, volkomen en voltooid is, in al zijn deelen onovertreffelijk, geheel bereid en voor geen toeneming
—
vatbaar.
Dat scheelt alles, niet waar? Aan den éénen kant een mensch in den staat der rechtheid, die door inspanning van alle kracht van lieverlee, telkens iets meer van den schat des levens verwerft; en aan den anderen kant een goddelooze verlorene mensch, die opeens het volle, rijke, voor toeneming onvatbare leven ontvangt.
—
Letterlijk
een
wonder,
een ondoorgrondelijk mysterie!
rechtheid
eerst
aan
het
De godde-
mensch in den staat van einde van zijn langen weg zou komen;
looze wordt opeens daar gezet, w^aar de
zijn ja,
ontvangt nog meer. Er is dus tusschen die beiden haast geen vergelijking denkbaar. De werker in het WgrA;verbond begint met een akker en zaadkoren en een ploeg te ontvangen, en moet nu aan den arbeid, om dat land om te ploegen, dat zaadkoren in de voren te strooien, het opgeschoten groen te wieden, om dan, als loon voor al die inspanning, eindelijk een mudde tarwe te gewinnen, die dan nog gemalen moet tot meel en gebakken tot brood, om hem werkelijk voedsel voor zijn leven te kunnen zijn. Terwijl omgekeerd de geloover onder het öewac^everbond opeens en voor eeuwdg ingezet wordt in de volle weelde van een rijk voorzienen disch, waarbij de stemme tot hem uitgaat: „Al de arbeid is voor u verricht! gij hebt slechts te genieten." Het leven onder het Genadeverbond draagt dus zeer beslist een ander karakter. Was het leven onder het Werkverbond „menschelijk gewrocht," dit leven onder het Verbond der genade en der verzoening is „goddelijk geschonken;" en kleefde dientengevolge aan dat leven onder het Werkverbond al het gebrek van het menschelijkey hier, aan het leven onder het Genadeverbond, blinkt al de heerlijke volmaaktheid van het goddelijke. Het is duurzaam; het is blijvend; het is volmaakt in zich zelf; het wordt niet, maar het is; het verteert niet, maar het ontplooit zich in steeds voller luister een eeuwigheid put zijn volheid niet uit. Maar nu zal zelfs de eenvoudigste dan ook beseften kunnen, waarom het zoo ongerijmd is, zich zulk een leven voor Gods uitverkorenen buiten den Christus te willen denken en zich de uitverkiezing ook maar één oogenblik anders dan in Christus voor te willen hij
;
stellen.
Want zulk een onuitdelgbaar, onvergankelijk, in al zijn deelen volmaakt, zich steeds heerlijker ontplooiend, goddelijk leven, hoe, hoe
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's