Heils termen - pagina 57
47
Woord
het Feit, of, wat hetzelfde is, het aan het Leven voorafgaat, dan volgt hieruit, dat, juist gelijk de Catechismus zegt, het geloof zich eerst op het Woord heeft te richten, en nu in en door dat Woord het Leven in zich op moet nemen, dat onafscheidelijk met dat
Woord samenhangt. Wie derhalve zegt, wel Leven
dat
vindt,
dat
daarmee
Woord aan
sanenhangt,
die
te
nemen, maar niet het zichzelven en
misleidt
ook het Woord niet. evenzoo. Acht iemand wel door het geloof des harten het Leven te hebben aangenomen, maar zonder dat het Woord hem daartoe de geleider was, ook die misleidt zich zelven, want wat hij ook bezitte, hij blijft dat ware Leven derven, dat één is met het Woord. Moet dus eenerzij ds dankbaar de zegen erkend, die het dringen op geloof des harten ter bestrijding van dorre, doodsche stelselzucht gedragen heeft, toch moet ook dat dringen weer op zijn beurt worden teruggedrongen, voor zoo ver het ons zou afleiden van het Woord. heeft
En
door zulk een gelooven toch, dat eerst het Woord aangrijpt, in en door dat Woord het Leven geeft, wordt de zonde in haar diepste diepte overwonnen. Eerst
en
Wat was gelooven van
de
vruchtbare
God op
zijn
kiem van Woord.
alle
zonde?
Lnmers het
niet
Het Woord staat als de geestelijke uiting van het verborgen persoonlijk leven, tegen de zichtbare en tastbare dingen over. Geloof ik iemand, nadat hij bewijs heeft gegeven, dan geloof ik
hem
maar zijn bewijs. iemands woord, niet
niet meer,
Geloof
ik
bevestiging,
wijl hij het zegt, maar om de de zinnelijke wereld mij van zijn woord geeft, dan verworpen, en die zinnelijke dingen, als vaster grond
die
heb ik hem van weten aangenomen, dan zijn persoonlijkheid. Bij den mensch nu is dit alleszins geoorloofd, wijl de ervaring ons dagelijks toont, dat zijn persoonlijkheid met de onze door den geest der leugen ontwricht is. Yolgen we daarentegen diezelfde gedragslijn tegenover God, dan ontstaat juist de zonde. Er is zonde, zoodra wij het geschapene stellen boven den Schepper. Spreekt God dus en gelooven wij zijn Woord, niet wijl Hij het zegt, maar om eenigen grond dien we voor dat Woord in de zienlijke dingen meenen te vinden, dan hebben wij Hem beneden zijn schepsel geschat, en dat geschapene aangezien als vaster in zich zelf, dan God den Heere. Ongeloof is daarom het karakter van alle zonde, wijl ongeloof juist een verwerpen van God is en een verkiezen van zijn schepsel boven Hem. Maar daarom kan de zonde alleen door geloof op het Woord in haar diepste kern vernietigd worden. Toen de eisch des geloofs tot den mensch in het paradijs kwam,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's