Honig uit den rotssteen - pagina 117
103 en dat er voor de geloovigen een verrijking met hemelscli
niets hebben,
Want dood nnchteren zou dan de Bijbelkenner u
manna
is!"
zoeken
even
zegt:
„En
het
voorafgaande
zullen
ze
toevloeien
13de tot
vers
ver-
in te zien, waar Jehovah
des Heeren goed,
t.
w. tot het
koren en tot den most en tot de olie en tot de jonge schapen en runderen, en hunne ziel zal zijn als een gewaterde hof!" En erger nog zou de „geestelijk volmaakte" u toornend aan de ziel met de vraag komen, of Gods heilig Woord u dan nog niet geleerd heeft, om met die valsche splitsing tusschen uw uit- en inwendig leven toch op te houden, en of ge dan nog niet uit de ervaring weet, wat een veinzer en onware mensch ge wordt, indien ge u went aan die klanken van het „aardsche slijk" en het „nietige ondermaansche", maar om na die woorden gepreveld te hebben, het boek dicht te doen, en II weer ongestoord in dat „nietige ondermaansche" te verliezen. Neen, God de Heere stelt u volstrekt niet den eisch, dat ge nog erger dan een monnik in zijn cel, den monnik in het midden der wereld zoudt speleUj door alle zichtbare ding te verachten en te doen alsof ge er niet om gaaft. Sterker nog. Hij wil dit. Hij gedoogt het niet,
Hij
keurt het
af.
hoe zou het anders kunnen? Of hoe u een God te verbeelden, die willen zou dat we dood, gevoelloos en onverschillig voor al het zichtbare werden, en die ons toch dwong er al onze levensdagen meê bezig te zijn die zelfs verre het overgroote deel der menschen de roeping oplei, om uitsluitend in het grovere van dat zichtbare leven, in keuken of werkplaats, op akker of in stal, hun leven door te brengen en die ons een lichaam aanschiep, dat bij dagen en bij
En
;
;
nachten tot gestadige bemoeiing met dat aardsche, zelfs in zijn lageren vorm, noopt. Die dat meent, raakt in de war; komt gedurig met zichzelf in tegenspraak; en kweekt een ijl plantje van aangeleerde schijnvroomheid, die best nog gaan zou voor een oefenaar of leeraar, die niets anders te doen had; maar eenvoudig volstrekt onpracticabel is voor een huismoeder, voor een werkman, voor een gewonen burger in zijn beroep.
En
ge de uit het monnikenleven geïmporteerde overeens voorgoed uitschudt; en doordringt tot het vol en krachtig en diep in de ziel borend besef, dat al dat zichtbare; het grove zoo goed als het tijne tot zelfs het uithakken van een stuk steenkool in een donkere mijngroef, hoort bij het van God voor ons verordende leven, en op zichzelf niets verkeerds in zich heeft, ja alles bestemd is om kanaal, trechter, voertuig, geleiddraad voor plichtslictrachting en Godverheerlijking te worden, eerst dan hebt ge den eerst,
als
geestelijkheid
;
valschen zuurdeesem uitgezuiverd, en
uw
practicale levensbeschouwing
gereformeerd.
Want immers dan
heeft
de
beklemming
uit,
die anders u altijd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's