Honig uit den rotssteen - pagina 65
51 indien men bij de uitlegging van dit raadselachtige, harde woord op deze „Wet onder Israël" meer gelet had. Nu toch verkrijgt, in het licht van Leviticus, Jezus' snijdende uitspraak geen andere dan deze beteekenis: „Ik zalf u allen tot priesters, en voor u geldt dus hoofd voor hoofd, wat onder Israël alleen den hoogepriester was opgelegd. Onze kantteekenaren troffen ook hier het ware. Immers op Levit. 21 12 teekenen ze uitdrukkelijk aan: „Niet zijn,
:
uitgaan uit het heiligdom," beteekent dat de hoogepriester niet uit den tabernakel mocht gaan, om, al was zijn eigen vader gestorven „het lijk te volgen!"
En nu de zin bevestigd werd? Zie,
er
is
van
wat
Leviticus
in
tweeërlei familie,
verordend,
en door Jezus
tweeërlei bloedverwantschap, tweeërlei
band in het leven der geslachten. Voor den onbekeerde en den
bekeerde bei bestaat er eerst de de vleeschelijke verwantschap, de band met hen uit wie we geboren en aan wie we vennaagschapt zijn. Maar voor den bekeerde komt daar nu een heel andere betrekking bij. Een heilige betrekking tot de familie der hemelen, een verwantschap met de zaligen daarboven, een band des levens, die hen met God en al zijn uitverkorenen verbindt. Een kind van God heeft alzoo tweeërlei familie zijn familie naar den bloede in het aardsche en zijn familie naar dm geest in het hemelsche. Dienovereenkomstig heeft hij tweeërlei maagschap een maagschap naar vleeschelijke afkomst en een maagschap naar de wedergeboorte. En alzoo dus ook een dubbelen band des levens; een tijdelijken band met degenen die op aarde zijn verwanten waren, en een eeuwig hlijvendeu band met wie in Jezus' Koninkrijk één leven met hem vleeschelijke
familie,
:
:
deelachtig zijn. Nu staat die
tweede familiebetrekking, die tweede maagschap, die
twede levensband
zeer verre boven die eerste. Naarmate iemands roeping in het Koninkrijk dus hooger staat, moet hij ook de wilskracht hebben, om die eerste familiebetrekking nooit boven die tweede te schatten; nooit aan die tweede in den weg te laten staan; niet aan die tweede te doen schaden. Ten deele was die eisch reeds aan de priesteren gesteld. Volkomenlijk aan aller priesteren hoofd. Zie het aan Jezus zelf: „Vrouwe, wat heb ik met u te doen? Mijne ure is nog niet gekomen. Wist gij niet dat ik zijn moest in de dingen mijns Vaders!" zijn immers uitdrukkingen, die toonen dat
Jezus naar datzelfde beginsel handelde. Sterker nog. Jezus zelf sprak het uit:
„Zij,
die doen den wil van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's