Heils termen - pagina 210
200 zoening we reeds gedankt hadden, noopt daardoor tot de vernieuwde bede: „Vergeef ons onze zonden!" De samenvlechting met den Christus tot ééne plante, de inenting in den wijnstok, de opneming in de gemeenschap der heiligen en de inlijving in zijn lichaam schijnt weer vernietigd te zijn. Niet in, maar als naast en buiten Christus gevoelen we ons. Schrede voor schrede moet weer het bergpad beklommen, terwijl wij weten reeds op den top des bergs met Christus gezet te zijn. De samenvatting van het eeuwige wordt weer losgewikkeld in het stukwerk des alledaagschen levens. We staan niet voor de genieting, maar voor de barensweeën des geloofs. Toch doet de Heere ook daarop zijn welbehagen rusten, niet om wat wij volbrengen, maar om het beginsel des geloofs, dat in ons stukwerk zich uitspreekt. Hij ziet van uit den Hooge, dat we de hand niet aan dien arbeid sloegen, als moest het daardoor worden volbracht, maar eeniglijk wijl in ons de drang van Christus werkte, die tot een bezigzijn in het heilige Gods, tot een offeren op het outer, tot een openbaring des geloofs uitdreef. Van loondienaars heeft de Heere ons, eer we het wisten en ons zelf dies onbewust, tot kunstenaars, gemaakt. Als de daglooner waren we weleer, die aan den arbeid geen lust heeft, maar arbeiden moet om het brood, dat hij eten zal, en dies ruimer ademt, als het uur der rust aanbreekt, en hij spade en houweel achter zich kan werpen, voor een tijd althans van den last des arbeids verlost. Maar Gods almacht maakte ons tot kunstenaars, steeds arbeidend, altijd bezig, om prijs noch spijs ons bekreunend, en die slechts noode zich laten afroepen van een arbeid, die geheel onze ziel vervult, die ons vermeestert en aan ons zelf weet onttrekken. Wien de zorge voor het brood nog drukt, mag reeds te daardoor geen kunstenaar heeten; en evenzoo, wie nog arbeidt, als kon hij daardoor zalig worden, is nog onbekwaam tot het Koninkrijk Gods. Niet tot den slo venden daglooner, maar tot den vrijen kunstenaar in Gods Koninkrijk, tot de door Gods Geest bezielde en gedrevene Gemeente, gaat daarom het roepen des Apostels uit „Laat ons de genade vasthouden, waardoor wij welbehagelijk Gode mogen dienen," of ook dat andere: „Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uwe lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande!" Alleen uit het standpunt des vrijen geloofs mag de betuiging verklaard: „Daarom ben ik altijd zeer begeerig, om, hetzij uitwonende, hetzij inwonende. Hem welbehagelijk te zijn." Slechts bij dit licht is het geen omverwerping, maar veeleer bevestiging van het geloofsstandpunt, zoo Paulus het geschenk zijner Philippensen roemt, als „een weiriekenden reuk, een aangename offerande, Gode welbehagelijk!" Niet hem geldt dit heilige, die zelf het licht ontsteken of voelen wil, maar alleen den kinderen des Koninkrijks, „die in het licht, het van God gegeven licht, wandelen' :
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's