Honig uit den rotssteen - pagina 78
64
Sommigen
die
geroepen
zijn
om
sterk
onsterk en zwak zullen blijven tot aan
te
wezen,
hun dood
en anderen die
toe
Onder „volmaakten" of „volwassenen" verstaat de Schrift dan natuurlijk niet menschen die tot volkomene heiligheid gekomen zijn, maar precies hetzelfde wat wij in het gewone aardsche leven met een „volwassene" bedoelen. „Volwassen" is een iegelijk die zijn lenyte bereikt heeft en dus in dien zin niet meer groeit, maar die juist, wijl hij nu volwassen wierd, zijn eigenlijke ontwikkeling, rijping en innerlijken wasdom pas begint. Zoo nu ook is door den Heere voor elk Christen een zekere mate, een zekere lengte en breedte gesteld, of wil men een zeker kader afgebakend, dat h\] nooit overschrijden zal. Pas toegebracht, is dus de eerste werking van den Heiligen Geest in hem, om zijn geestelijke ledematen en zintuigen zóó te laten toenemen, dat ze dat kader vervullen. Daaraan toegekomen, hebben ze dan „hun mate", „hun lengte", hun geestelijke afmeting bereikt, en zijn in dien zin dus volwassenen, volkomenen, volmaakten. Edoch, niet om alsnu zich in te beelden, dat ze er zijn. Neen, maar opdat nu juist door de aldus uitgegroeide organen de Heilige Geest het machtige werk der ontwikkeling, der geestelijke voeding en koestering, der rijping en van den wasdom in Christus pas beginne. Voor het oogenblik laten we de „kinderkens" en de „jongelingen" dus liggen, en deuken alleen aan zulke Christenen, die in den aangeduiden zin „volwassen" zijn. En onder dezulken nu zegt ons de Schrift, dat er gevonden worden van allerlei guven, van allerlei kracht, van allerlei inleiding. Geen twee aan elkander volkomen gelijk. Ieder zijn stand en zijn bescheiden deel. Bij een iegelijk verschillend. Want de Heilige Geest „deelt aan een iegelijk uit gelijk Hij wil!" Tien, vijf, drie talenten, of ook slechts één enkel. Dit nu maakt, dat er onder die volwassenen in de gemeente tusschen „sterken" en „zwakken," duurzaam moet onderscheiden worden; en dat men die „zwakken" volstrekt niet alleen zoeken moet onder de nog onbekeerden of pas bekeerden, maar wel terdege evenzeer onder de reeds voor lang bekeerden, die de mate van hun geestelijken groei reeds bereikten.
Ook onder dezulken toch bestaat ongelijkheid van kracht en vermogen evengoed als onder de leden van ons lichaam. De pink is niet de lenden. De schouderplaat kan een slag verduren, waar het scheenbeen voor bezwijkt. Er zijn dus, niet door 's menschen schuld, maar 'naar Gods bestel, wil en verordening, sommigen in de gemeente, die geestelijke reuzenfiguren zijn, anderen die als dwerggestalten hun weg moeten gaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's