Dat de genade particulier is - pagina 161
151 ii aangeboden heil niet kiint aannemen, tenzij ge eerst wedergeboren wordt: „Indien iemand niet wedergeboren wordt uit water en Geest, hij kan het Koninkrijk van God zelfs niet zien." En dat iemand al even weinig aan zijn geboorte uit den Geest als aan zijn geboorte uit zijn moeder toe- of afdoet, sprak Jezus even duidelijk uit, toen hij zei: „De wind blaast waarheen hij wil en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt noch waai hij henengaat; alzoo is een iegelijk die uit den Geest geboren wordt." En onderzoekt ge nu ten slotte in welk verband de zaliging dezer gelukkigen met het weten en den wil Gods staat, dan leert en onderwijst u diezelfde Schrift op het allernauwkeurigst, dat God alwetend is, want dat „alle dingen naakt en geopend liggen voor Dengene met wien we te doen hebbeu"; dat die alwetendheid Gods ten opzichte van de zaliging des zondaars niet pas ontstaat op het oogcublik dat Hij den zondaar waarneemt, maar van eeuwigheid bestaat; „Gode zijn al zijne werken van eeuwigheid bekend" en ten slotte dat deze eeuwige wetenschap van wat er met den zondaar te gebeuren staat, niet lijdelijk is, maar ontstaat uit den wil van zijn welbehagen, en dat Hij het is, die door den raad zijns willens, den levensgang van den ellendige van vóór de schepping en grondlegging der wereld had bepaald. God de Heere heeft ons dus volstrekt niet in het onzekere gelaten. Hij heeft ons niet een Bijbel in de hand gegeven, dien we moedeloos en hopeloos weer hoe eer hoe beter uit de hand konden leggen, klagende met de Pilatusklacht: „Wat is waarheid?" Maar eer integendeel heeft het den Heere beliefd, ons op het allerduidelijkst in te lichten, een openbaring te geven die op dit punt volkomen is, en ons schalm voor schalm heel de keten te toonen waarlangs het heil ons uit zijn Vaderhart toekomt. Niets anders dan volstrekte onderwerping aan de Heilige Schrift is dus ook noodig, om zonder voorbehoud de belijdenis der particuliere genade te beamen; en het is in den grond niets dan een tornen aan de goddelijke Schriftautoriteit, waardoor de vrije wil, dien heel de Schrift in den zondaar loochent, dien Augustinus verbrak, Luther aan stukken wrong en Calvijn aan gruizels wierp, zich alle eeuwen door weer opricht.
uitwendig-
:
—
;
men dit nu meer bij zonderlijk op het sterven van onzen Heere Heiland toe, dan ontstaat de vraag, of God, toen Hij zijn Zoon in den dood overgaf, daarmee bedoelde, dit Lam Gods voor alle zondaren te laten sterven, dan wel uitsluitend voor diegenen, aan wie zijn dood feitflijk ten goede zou komen. En ook deze vraag nu is, met de Schrift in handen, terstond uitgemaakt. Vooreerst doordien de Schrift leert, „dat er bij God geen Past
en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's