De leer der Verbonden - pagina 145
!
135 staat;
schuldenaar
belofte des
Wie nu niet
lijk
en
zegt,
aan,
die
die glipt
en
het
zelfmisleiding,
„Neen, maar gij en de uwe is één!" heeft
:
zijn
dat gold ja,
zie,
onwaarheid,
der
voor
Trouwverbond; en schuldenaar voor de
eeuwigen levens voor
nu
Adam, maar dat gaat mij persoonweg langs paden der leugen en
juist
is juist
ter
ontmaskering van dat zelfbedrog
Verbond der werken ons nu geleerd waart zelf doende wat Adam deed. Zijn daad
dat
het
En in dien zin nu is het juist het Werkverbond, dat het recht van den Heere onzen God herstelt, en u, o mensch, met alle vleesch en al wat onder menschen adem heeft, diep in het stof van schuld en doem voor Hem nederwerpt. Want terwijl zonder dat Verbond gij u hoog tegenover uwen God stelt, en zijn barmhartigheid als een marktproduct voor eiken kooper beschouwt, dat Hij dus ook aan eiken bieder schuldig is, zoo komt juist omgekeerd, door dat Verbond God de Heere, naar het immers behoort, weer hoog tegenover u te staan, om u neder te werpen, om u alle onschuld te benemen, en u innerlijk te overtuigen, dat ook, al liet God de Heere alle menschen, zonder eenige de minste uitzondering, in het verderf waarin we allen onszelven, door Adams daad, geworpen hebben. Hij nog rechtvaardig zou zijn, en geen schepsel den mond tegen Hem zou kunnen opendoen. En daar nu de genade niet komt dan tot den nederige, en de barmhartigheid niet anders dan de omgeploegde en platgeëgde akkers met hare droppen besproeit, zoo kan niemand beweren, dat deze nederwerping van alle schepsel voor God, de barmhartigheid inkort, daar immers ieder ziet, dat de werking der genade juist door deze nederwerping van alle schepsel eerst mogelijk wordt. „Alleen den nederige geeft Hij genade!" Uit die oorzaak dringen we er dan ook op aan, dat men bij de prediking van het Evangelie toch den wezenlijken grond ontbloote die er onder ligt, en niet een dun vloertje dat men er zelf overheen heeft getimmerd, voor den wezenlijken bodem der dingen aanzie. God de Heere komt niet tot zijn eer; ge kunt van zijn wezenlijke barmhartigheid en van het onnaspeurlijke zijner ontfermingen u geen flauw besef noch schemerend denkbeeld vormen, zoo ge niet doorzinkt tot dien grond, dien wezenlijken grond, die in het paradijs na den val gegeven was, en indien ge niet helder en klaar het indenkt en inziet: „Na en door den val lag daar nu de geheele menschheid, en dus ook ik, en ook mijn kinderen, kortom, al wat mensch heet, als bondbreukig en in ontrouw bevonden, als wetschendig en opstandig, onder het rechtvaardig oordeel Gods in schuld en doem!" Zoo moet ge de menschheid hebben zien liggen, en u zei ven er bij, en er bij al wat u lief op aarde is, en ge moet het gevoeld en doorleefd hebben, dat er op God den Heere niets zou zijn aan te merken
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's