Heils termen - pagina 110
100
wezen we in ons vorig; artikel op den dubbelen zin, dien en afzondering verkrijgen kan, en zochten de diepste gedachte van de heiliging in het „onvermengde" terug te vinden. De schijnbaar hoogst eenvoudige opmerking, dat men goed en kwaad scheiden kan, zoowel door het goede van het kwade, als door het kwade van het goede weg te nemen, moest ons den weg naar dat allesomvattend gezichtspunt openen, waar beide zoo uiteenloopende beteekenissen slechts stralen blijken van éénzelfde rond. Eer we dit in bijzonderheden aantoonen, moet vooraf echter de kernbeteekenis van „heilig" als onvermengd en in zichzelf volkomen, nog scherper in het oog worden gevat. Is het heilige het onvermengde, dan moet de sterkste tegenstelling met „heilig" natuurlijk in het monsterachtige liggen. Het monsterachtige ontstaat dan eerst, als de aard van twee naturen dooreen wordt gemengd. Monsters zijn de dieren waarvan we in Daniël lezen: Viervoetige dieren met vleugelen, die niet aan het kruipend gedierte maar aan het gevogelte des hemels gegeven zijn; of ook ontzettende diergestalten met ijzeren tand en klauw; of zelfs een menschengestalte met gouden en zilveren borst. Dit zijn altemaal monsterfiguren, wijl wat niet bijeen hoort en in zijn aard strijdig is, toch in deze gestalten wordt saamgevoegd en vermengd. Daartoe
afscheiding
Yan
daar dat in Daniels nachtgezichten,
waarde onheilige konink-
rijken der wereld tegenover het heilig koninkrijk des Heeren worden gesteld, de monsterfiguren het onheilige en de zuivere gestalte van den menschenzoon het heilige Godsrijk voorstelt (Dan. VII l-l). :
Intusschen, ook dit zou voor de Heiligheid des Heeren nog ongenoegzaam zijn. Dat Hij de onvermengde is en blijft, is nog niet de Israëls belijdenis. Het plaatst tegenover de monsterafgodsbeelden der Heidenen niet zuiverder en reiner beelden, maar is naar Gods wet gebonden, zich van alle afbeelding volstrekt te onthouden, en zijn Heere en Koning te belijden als een Geest. In dien diepsten zin nu geldt de heiligheid alleen van den
volle
inhoud van
achtige
Almachtige en van den mensch, w^ien Hij ze toebedeelt. Noch de aarde, noch het planten- en dierenrijk, kunnen in dien zin heilig genaamd worden, wijl een volstrekte afscheiding tusschen deze rijken niet bestaat, maar steeds het één in het andere bij zijn uiterste grens overloopt. De volstrekte scheiding bestaat onder alle aardsche schepselen alleen bij den mensch, wijl hij een zelfstandig Avezen is, en dus het hoogste aller gaven, de aanleg tot een vrije persoonlijkheid bezit. Hieruit volgt dus dat het „Heilig, Heilig, Heilig!" niet slechts 's
Heeren
volkomenheid
toejubelt,
maar tevens de
belijdenis
is,
persoonlijk God aanbidden, en juist in de kennisse dat wezen Gods hebben we daarom de hoogste persoonlijk dat van vrucht van de Openbaring der Schrift te erkennen. Ook buiten die Schrift is er kennisse Gods op aarde, maar als den Heilige, d. i. wij
een
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's