Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De leer der Verbonden - pagina 149

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De leer der Verbonden - pagina 149

3 minuten leestijd

139 kracht geweest is, die én hun hand daartoe sterkte én de oogzenuw prikkelen liet én de eetorganen in werking zette. Ja, veel sterker nog, toen de wil in Adam boos wilde, en zijn (jeest in hem tegen God koos en zijn zidsver mogen in hoovaardij omsloeg en de liefde in zijn hart van God op de wereld overging, toen was die wil, die geest, dat zielsvermogen, die hartsgenegenheid niet een stel krachten, dat Adam in eigen hand droeg; neen, maar toen was het God de Heere die van oogenblik tot oogenblik én dien wil én dien geest in hem én dat zielsvermogen hem bestendigde èn die werking des harten in hem droeg. Had God de Heere één enkel oogenblik opgehouden die wilskracht, dien geest in hem, dat zielsvermogen te dragen, dan zou Adam op hetzelfde oogenblik willoos, geesteloos en machteloos in de ziel zijn geweest. Het eenige wat God de Heere aan Adam liet, was dat Adam over dien wil, over dien geest in hem en over dat zielsvermogen beschikking te zijner keuze en verantwoording had gekregen. Terwijl zelfs die beschikking dan nog niet eens iets was, wat Adam uit zichzelf bezat, maar nog evengoed als al het andere een gave, een ontzettende gave bleef,

waarvoor hij zijnen God had te danken. Welnu, is dit zoo, en wie zal er aan twijfelen, dan komen we hiermee ook tot een allergewichtigst resultaat; tot de slotsom namelijk dat deze gulle bekenners, van wier lippen ge zoo gedurig en zoo grif de belijdenis kunt opvangen, „dat zij wel degelijk Gode de eer geven, want dat ze alles aan God dank weten en dat ook door hen het begin, het midden en de uitgang in het werk der zaligheid aan den Heere onzen God wordt toegeschreven," dat deze broeders, wel bezien, nog niets, volstrekt niets, ten aanzien van het genadewerk hebben beleden, ivat niet precies evenzoo geldt van het Verhond der werken. Zoo ziet men, waar men toe komt. Al het verschil met deze broederen loopt er juist over, dat ze naar het Genadeverbond overbrengen wat tot den aard der natuur en het karakter van het Werkverbond hoort; en wel eerst door de beslissing over geloof of ongeloof weer in 's menschen hand te stellen en ten andere door hem uit te drijven naar een heiligmaking die meetelt bij de zaligheid. En wat doen ze nu? Teneinde zich nu van elke smet te zuiveren, bieden ze ons gulle bekentenissen over Gods immanente almogendheid, die juist evenzoo golden, toen de mensch nog stond in het Verbond der werken; bekentenissen die dus ook uitnemend vereenigbaar zijn met het juist bestreden en betwiste standpunt, waarop de mensch de eindbeschikking in eigen hand heeft; en die alzoo in plaats van ons gerust te stellen en te stichten, veeleer met dubbele kracht het droef vermoeden doen opkomen, dat wel metterdaad de diepste wortel van het Genadeverbond door deze gulle, grifte bekentenis, hetzij doorgesneden wordt, hetzij miskend,

;

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's

De leer der Verbonden - pagina 149

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's