Dat de genade particulier is - pagina 31
:
2]
zoening, ligt niet alleen voor wat ons, maar ook voor wat de wereld aangaat, op het stuk van zonde alleen in hem.
Maar hoe sluit dit nu op „de Voorspraak", waarvan het eerste vers in dezer voege gewaagt: ,,Kinderkens, ik schrijf u deze dingen opdat gij niet zondigt; maar indien iemand van u zich toch weer schuldig voelt, wanhoopt deswege niet, want we hebben iemand die bij den Vader onze gerlingen bepleit, namelijk Christus Jezus, den rechtvaardige?" Immers zoo, dat hij alsnu aangeeft, waarom die Voorspraak doel moet treffen; hierin namelijk bestaande, dat deze rechtvaardige niet van elders een verzoening moet zoeken, niet een van elders bewerkte verzoening moet toepassen, noch ook een los aan hem zelf klevende verzoening voordraagt, maar dat hij zelf in zijn eigen per-
soon
{aÏTOi), in geheel zijn Messias- en Middelaarsbestaan, zelf het inbegripj de volheid en de algeheelheid der verzoening is niet enkel ;
met het oog op de zonde, die we in engeren zin „de onze" noemen, maar ook met het oog op al wat zonde is, binnen geheel de sfeer van deze wereld. Hiermee is natuurlijk allerminst ontkend, dat Jezus wel waarlijk door zijn dood het zoenoffer in zijn bloed is geworden, dat plaatsbekleedend bij God voor de zonden der uitverkorenen intreedt, maar alleen beweerd, dat hier, in deze plaats, iets nog veel breeders, veel omvattenders wordt aangeduid, zijnde hier sprake van de „stilling van Gods toorn tegen de zonde" in haar ganschen omvang, wat de sfeer des levens betreft, waarover ze zich uitbreidt, en van die Verzoening als wortelende geheel in de Messiaspersoonlijkheid van den Christus, wat aangaat haar bewerker. Ook al bleven we dus voor een oogeablik aannemen dat de geheele wereld hier metterdaad beteekende: „alle menschen, ziel voor ziel en hoofd voor hoofd", dan nog zou er volstrekt niet staan wat de Universalisten er ten onrechte uit gemaakt hebben, maar zou door den apostel nog niets anders zijn uitgesproken dan deze gedachtengang „Er zijn geloovige en ongeloovige menschen. Beiden hebben zonde. Deze zonde ligt onder den toorn. Die toorn kan niet gestild dan door verzoening. En wie nu, 't zij voor de zonden der geloovigen, 't zij voor de zonden der ongeloovigen, verzoening wil zoeken, kan ze niet anders dan in Christus vinden, want Christus en de verzoening dat is
één."
Maar wat nu voor deze drijvers van een algemeene genade het beroep op dezen tekst ten slotte geheel en al onhoudbaar maakt, is, dat die geheele onderstelling als beteekende „de geheele wereld," hetzelfde als „alle menschen", metterdaad kant noch wal raakt. De zegswijze toch van „de geheele wereld', komt in de Evangeliën voor: in Mare. 8 36 „Wat baat het iemand of hij de geheele :
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's