Het heil in ons - pagina 221
!
211
—
maar zedelijke kracht wordt niet gewekt, de innerlijke drijfkracht des zedelij ken levens niet geboren. Daartoe heeft ook het zedelijk leven een wortel noodig, en dien
fatsoen,
wortel
vindt
het
niet in zichzelf,
maar
alleen in het geloof. Hieruit
tot kweeking van zedelijk moet leiden, maar ook, dat het geloof niet als met een tooverslag geheel het zedelijk leven hervormen en herstellen kan. Lang, zeer lang, meest tot aan ons sterven, blijft het een dubbele levensbeweging in ons, eenerzij ds het geloof dat alleen God zoekt, en anderzijds het zedelijk leven dat naar regel op regel meet. De oogenblikken, dat geloof en zedelijk leven volkomen saamvallen, dat wij alleen om geloof denken en het zedelijk leven er is en schittert, gelijk de starren flonkeren, d. i. zonder het zelf te weten, zijn zeldzaam, keeren niet spoedig terug en zijn vrucht minder van eigenwillige inspanning, dan van wonderbare leidingen Gods. Wel hem, die niet die enkele bloemkens op zijn levensweg, nadat ze ontloken zijn, weer knakt, door er zichzelf op te verheffen Daarnaast staat nu het gemoedsleven, een persoonlijk omgaan met het hoogste persoonlijk en volheilig Wezen, een verborgen omgang met den levenden God. Voor dat leven is het onverschillig, of er nog iets anders buiten ons bestaat. Indien God slechts leeft en onze ziel weet dat Hij er is, weet waar Hij is, den weg kent die tot Hem leidt, in zijn tegenwoordigheid naderen, tot Hem spreken, zijn woord beluisteren, zijn blik opvangen, aan zijn hart rusten mag, is dat innerlijk leven mogelijk, kan het werken en bloeit het op. Dat leven is geen plichtsbetrachting, maar een leven der vriendschap en der liefde, der teederste gemeenschap en des innigsten vertrouwens. Naar regels en naar ordeningen vraagt het niet. Het kan slechts de gescheidenheid, het alleen zijn, niet uithouden. Het sterft, of kwijnt althans, als het zijn God uit het oog verloor. Verlatenheid is voor dat leven de dood, verstooten te zijn de diep schreiende smart, waarin het zichzelf verteert. Nabij God te zijn is de eenige voorwaarde, die het niet prijs kan geven. Mits die voorwaarde vervuld zij, heeft het kracht om alles te dragen. Het is een leven, wonderbaar in zijn natuur, steeds zich verbergend en schuil houdend en zich terugtrekkend in het geheimzinnige. Het kan zingen, het kan jubelen, het kan bidden, het kan weenen, maar in klare woorden zijn bevinding uitspreken kan het niet. Het leeft van neigingen en bewegingen, die in de wereld als onnutte bijzaak gelden. Bewondering is zijn ademtocht, stil ontzag de aanraking, die het van zijn God ervaart, eerbiedenis zijn innerlijk vermaak. Ootmoed en zichzelf wegwerpende nederigheid is de springveer waar-door het wordt opgeheven. Het hangt aan woorden noch aan daden, maar zwelt en tintelt in dieper levensbodem, om straks beï het woord en de daad te bezielen. Het mint, maar kan u niet
volgt
leven
vanzelf,
dat
waarachtige
godsvrucht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's