Dat de genade particulier is - pagina 203
193 scherp en kras tegen dat gepraetendeerde recht de vrijmaeht van Gods verkiezing overplaatste. En niet minder moet nadruk gelegd op het tweede punt: De keus
eii
tusschen verlorenen en verkorenen richt zich niet naar eenige mindere verdoemelijkheid of meerdere godvruchtigheid der zondaren. „Allen hebben gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods; en is geen onderscheid." Er zijn, voor het Besluit, niet zondaren van een lichter en van zwaarder soort. Ook niet zondaren met „nog eenig vermogen" ten goede en anderen die tot dit goede ganschelijk geen vermogen meer hebben. Er zijn niet „erg goddelooze" en andere „nog al lieve" menschen. Noch ook is in den één neiging tot, en in den ander afkeer van geloof. Maar allen zonder onderscheid zijn principieel even slecht, even ver afgekeerd, even onwillig, eve/i ongeloovig, even goddeloos.
Zoo menschen onder elkaar, ja, die mogen en moeten zeer zeker zulke onderscheidingen onder elkaar maken, naar gelang het kwaad bij [den één meer uitbotte, bij den ander meer beteugeld bleef. Zoo ziet elkeen, dat er verschil is in zijn kinderen. Een verschil onder zijn vrienden, een verschil onder zijn broeders en zusters. Dat kan en mag niet weggecijferd. Maar omdat van een linie soldaten slechts twee of drie geweren werden afgeschoten, zijn daarom de andere niet geladen? En omdat er op de oppervlakte verschil is, is er daarom geen gelijkheid op den bodem ? En die bodem, die grond der dingen, dat niet het éénige, waar God raeê rekent en Gods heilig oog op is ziet?
Hoe men ooit
iets,
het dus ook
ook
maar
in
wende
of keere,
er
mag noch kan
derhalve
het allerminste op afgedongen, „in mindere
verdoemelijkheid of meerdere godvruchtigheid van den één boven den ander ligt de grond der verkiezing jiL-t, nooit, //i-mnc)-."
Maar, houden,
omdat volgt
w^e
daar
deze beide puuteu streng en onverbiddelijk vastnu uit, dat het dus pure willekeur in God zou
zijn?"
Gun ons een De hovenier
voorbeeld.
boomgaard een hoogopgschoten, breedboom. Nu komt het voornemen in hem op, om dien boom tam te maken. Daarvoor moet die boom geënt woorden. Maar hoe gaat hij daarbij nu te werk? Er zitten aan dien boom misschien wel twintig takken en aan eiken tak honderd twijgen. Snijdt hi^j nu van elk dezer twee duizend twijgjes het kopje af, om het hout alsnu te splijten en er het spietje in te schuiven? Och neen, ge weet getakten,
beter. eerst
maar
vindt
in zijn
wilden
Met zaag of snoeimes zal hij integendeel bijna al die twijgjes wegsnijden, om hoogstens drie a vijf loten over te houden, IV
13
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's