Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Honig uit den rotssteen - pagina 196

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Honig uit den rotssteen - pagina 196

3 minuten leestijd

183

En

zie, wel verre van nu dien toorn die zich naar verharden of aan te blazen of nog heeter te prikkelen, was uw Vader in de hemelen, vol goddelijk mededoogen, vol teedere lankmoedigheid, maar aldoor bezig, om eiken druppel van dien toorn voor u te blusschen, door dien te mengen met zijn barmhartigheid en nog daarna te verzachten, door zijn lieflijke vertroosting. Gij steldet u voor, dat uw God er maar op zon, om u diep het leed te doen gevoelen, en zie, juist omgekeerd waren al de gedachten uws Gods, om den toorn dien ge als een stofwolk door uw zonde om u op hadt gejaagd, door teeder erbarmen draaglijk voor u te maken, zoo te maken, dat gij er niet onder bezweekt. De schuld was maar, dat we in den kuil zonder water liggend, onze zonden niet wilden indenken, en als God, die heilig is, ze voor ons aangezicht stelde, \ve er dan nog om heen schoven met onzen geest, en er maar niet aan wilden, om ze diep in al haar onheiligheid in te denken. Zoo voelden we onze innerlijke verdoemenis niet, en zoo snoven we dan ook Gods toorn niet in, als een bederf werend ether, dat het koudvuur, dat aan de ziel reeds zat, stuiten kwam en

zonde

gedaan.

u

bewoog,

toe

te

blusschen.

En door die onheilige oppervlakkigheid, zie, daardoor hebben we toen de schuld op onzen trouwen Vader geworpen. Hij was te hard, te onmeêdoogend, zijn toorn brandde te fel. En zoo is het dan gekomen, dat we voor Gods teedere ontferming geen oog meer hadden; en daardoor, daardoor juist, o, merk er toch op en beproef er uw ziele aan, daardoor juist ging de vertroosting uws Gods voor u teloor. Nu nog nooit ongemengd! Het werpt zulk een zachten, stillen glans over het lijden der wereld en het lijden van Gods kinderen. Nu nog altijd de witte paarden, naar het gezicht van Zacharia, de zwarte paarden achterna! Een toorn die nederdruppelt, zonder nog ooit te worden uitgegoten, en in elk van wiens druppels goddelijk erbarmen een tegengif van het teederst mededoogen gemengd heeft. Toch neemt ook dat mengen, dat verzachten eens een einde. De ure komt, dat de barmhartigheid niet meer tegen het oordeel roemen

zal.

Eens, eens in die verschrikkelijke ure, als het eeuwig lot van alle menschenziel zal ingaan, dan heeft dat mengen uit, dan zal er geen stroom van erbarmen meer op dien toom worden uitgegoten, dan komt de wijn van dien toorn onvermengd! En nu spreekt men zoo dikwijls over die ontzaglijke eeuwige toestanden, die we „de hel" noemen, en men zegt: „Dien toestand moet men de ziel niet zoo akelig voorstellen. Schrik drijft niet naar God toe!" En dat is ook zoo. Dat schermen met dood en hel geeft voor het nog doode hout toch niet, en is voor het hout dat groenen ging te weinig teeder.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's

Honig uit den rotssteen - pagina 196

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's