Honig uit den rotssteen - pagina 136
!
122 wereld de ééne zonde op de andere past, er op sluit, ze aanvult, en hoe alle ongerechtigheden met alle goddeloozen saam één geheel, één saam hoorend geheel, één gemeenschap uitmaken. En hoe komt Satan daar nu aan? Vanwaar heeft de zonde dat heerlijk vermogen, maar in haar hand helsch, om allen aldus in harmonie op elkaar te laten werken? Verzon Satan dat? Och, alsof Satan ooit iets anders kon, dan nabootsen wat God deed? Nabootsen op zijn duivelsche valsche wijs. Zoo zien we dus, dat de gemeenschap niet door Satan is uitgevonden, maar in het doen Gods ligt. D. w. z. dat het Hem, den Heilige, alzóó heeft behaagd, dat alle ding dat Hij schiep en herschiep, op elkaar zou werken, bij elkaar zou hooren, saam één lichaam, één rijk, één organisme zou uitmaken, en aldus één majestueus geheel zou zijn, één volheerlijke gemeenschap. Een gemeenschap, niet naar menschen die maken, door tot elkander toe te treden, maar een gemeenschap naar Gods eeuwig wezen, en alzoo van Hem uitgaande, uit Hem levende, door Hem bezield, bestemd ter openbaring van zijn eeuwige glorie, en rustend op elks persoonlijke gemeenschap met aller heeren Heer. Wat nu in deze schepping wel, wat niet als een stuk, een lid, een deel, een rad, een spil of veer in die Godsgemeenschap hoort, dat is vastgesteld in zijn eeuwig welbehagen. Maar dan ook zóó vastgesteld, dat wie of wat er eenmaal in is er dan voor eeuwig in is, er niet meer uit kan, en uit de verte en uit den afstand al inniger, al nader, al nauwer getrokken wordt naar de diepte van het
eeuwig Licht. Of ge gemeenschap met Hem, den Heerlijke, hebt, beteekent dus of ge aldoor die gemeenschap ervaart; niet, of ze niet wel niet, gansche uren weg is voor uw besef; en dus nog veel minder, of ge van oogenblik tot oogenblik de zalige genieting van zijn teederste liefde smaakt: neen, maar uitsluitend, of ge weet, ik ben uit de gemeenschap van Satan in de gemeenschap van den Heilige overgetild, overgezet uit het rijk der duisternis in het Koninkrijk van den Zoon zijner liefde.
Gemeenschap met dat eeuwige Wezen hebben, beteekent een radertje Gods te zijn geworden, of wil men, een vezeltje of celletje in dat Lichaam dat de Gemeente is des Zoons Die gemeenschap is dus opeens volmaakt. Ge stondt er buiten en zie nu zijt ge er in. Ge waart er los van en zie nu zijt ge er vast aan. Het was gij hier, en die „Godsgemeenschap" daar buiten u, maar zie, nu zijt gij er in opgenomen, een stuk, een deeltje er van geworden, door niets dan het wondere doen uws Gods. En waarom dat dan „gemeenschap met God" heet? Weet dan, dat er in die gemeenschap ook wel indringt en insluipt. of veertje in het groote werktuig
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's