Het heil in ons - pagina 121
UI spreekvorm dien men, zonder meer, niet bezigen mag, tenzij men het oog heeft op den toestand, waarin men bij het schrijven verkeert; en wordt bovendien boven allen twijfel verheven door de analogie des geloofs. Onder „analogie des geloofs" verstaat men dat de deelen der heilsopenbaring onderling op elkaar passen. De uitademingsorganen zijn een blad naar de analogie van de plant, bij een dierenvel naar bij de analogie van een dier, en bij uw eigen huid naar de analogie van het menschelijke lichaam. Yormt nu ook de Heilige Schrift, en de Openbaring waarvan ze het getuigenis biedt, een eigen organisme, met een eigen organisch leven, dan spreekt het vanzelf, dat ook in dit organisch geheel alles bij elkaar hooren, op elkaar passen moet en aan de levens wet van het organisme gehoorzaamt. Zoo onmogelijk als het nu is, dat een boomblad de huid van het dier vervange of een dierlijk vel den dienst doe van een boomblad, zoo onmogelijk is het, dat een maatstaf van heilig en onheilig leven, die in de wereld thuis hoort, naar de analogie van haar leven, ergens ingelascht of ingeweven worde in de Schrift. Dat zou erger zijn dan een andersoortigen lap op het kleed. Dat zou tegen den aard, tegen het wezen, tegen de levenswet der Schrift indruischen en alle analogie in haar leven opheffen. Daarom nu stonden onze vaderen er op, en wij, op hun voetspoor, met hen, dat bij de verklaring van eenig deel der Schrift steeds zou gevraagd worden of de voorgeslagen uitlegging met de doorgaande leer der Schrift overeenkwam, of, wilt ge, naar „de analogie des geloofs" was. Ook hier mag en moet dus gevraagd, of ge in den persoon, die in het tweede deel van dit kapittel optreedt, al dan niet de kenteekenen en eigenschappen terugvindt, die doorgaande in de Schrift aan den
onwedergeborene
betwist
en
alleen
in
den wedergeborene
als heilig
privilegie gehuldigd worden.
En ook maar Immers
zien,
dan, dunkt ons, kan er wel van een opzettelijk niet willen niet van onzekerheid ten deze sprake zijn.
niet den onbekeerde, maar alleen den „overgezette in het Koninkrijk van den Zoon der liefde" komt het toe; toe naar de eenparige sprake van heel Gods Woord; toe naar luid van de belijdenis der Kerke; toe ook volgens het getuigenis des Geestes in ons: om 1. het kwaad niet te willen maar te haten; 3. een vermaak te hebben in Gods wet; 3. zélf het kwaad niet meer te doen; 4. ontevreden met zich zelf te zijn, op het stuk des heiligen levens; 5. in zich een inwendigen en een vleeschelijken mensch te onderscheiden; 6. een Geest van hooger met den geest zijns vleesches te voelen strijden; 7. zich onder de wet der zonde als onwillig gevangene te voelen; 8. zijn verlorenheid in te zien en te dorsten naar gestadige vrijmaking; 9. te danken voor wat men geestelijk won, en 10. God met den geest te dienen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's