Het heil ons toekomende - pagina 15
Ook
zich, wat we straks vonden. De grenslijn en het ongewijde verloor haar beteekenis. Men trekt op het onheilige erf wat op het heilig erf thuis behoort, en men waagt het, het heilige te behandelen naar de wijs, die alleen bij het ongewijde geoorloofd is. Tegen de schuchterheid in het heilige wordt dus op elk dier vier wegen gezondigd.
tussclien
hierbij
het
verraadt
gewijde
Het heilige Gods is zoo onbegrijpelijk teeder, dat het met zeker angstgevoel terug moet schrikken voor de aanraking met het ruwe en gemeene dezer onheilige wereld. De overvallen bidder schrikt onrustig op als de betrapte dief. Dit feit, door elks ervaring bevestigd, is verre van toevallig. Het kenteekent het heilige in zijn verhouding tegenover de wereld. Het heilige Gods raakt de pit onzer ziel, het leven van ons innerlijk ik in zijn verborgenste kern. Het kan niet trillen of geheel het kunstig weefsel der teederste draden onzes harten trilt meê. De kieschheid, die de geheimen van het huwelijksleven sparen doet, de beschroomdheid, waarmee een hartsgeheim zich schuil houdt, moet in nog versterkten vorm zich uiten in de schuchterheid, waarmee het heilige door ons wordt aangeraakt. Het mag nooit aangeraakt zonder ^ het besef, dat H het heilige is. Die schuchterheid in het heilige is een der schelste tonen, die door de Bergrede van onzen Heere spelen. „Zoo wanneer gij aalmoes doet, laat niet voor u trompetten, gelijk de geveinsden. Yoorwaar zeg ik u, zij hebben hun loon wq^. Maar gij, als gij aalmoes doet, zij het voor uwe linkerhand verborgen, wat uw rechterhand deed." „Zoo wanneer gij bidt, bidt niet gelijk de geveinsden om van menschen gezien te worden. Voorwaar zeg ik u, zij hebben hun loon weg. Maar gij, als gij bidt, ga in uw binnenkamer en sluit achter u
toe."
„Zoo wanneer gij vast, toon geen droevig gezicht gelijk de geveinsden Voorwaar zeg ik u, zij hebben hun loon weg. Maar gij, als gij vast, zalf uw hoofd en wasch uw aangezicht." „Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordet!" „Zeg niet tot uw broeder: „Laat toe dat ik den splinter uit uw oog wegneme!" en zie, den balk in uw eigen oog bespeurt geniet!" „Niet een iegelijk, die tot mij zegt: „Heere, Heere!" zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil mijns Vaders die in de hemelen is." Genoeg, schier bij elk woord dat van Jeziis' lippen vloeit, bespeurt ge de innerlijke worsteling tegen de ruwe gemeenmaking en veruitwendiging, waaraan Hij het heilige ter prooi ziet. Het is als vreesde Hij het nóg heiligere te openbaren, waar Hij de zondige brutaliteit •van het hart reeds het heilige zoo weinig ziet verschoonen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's