Het heil in ons - pagina 99
89 almacht van Gods genade de volheid van zijn leven opeenmaal doen invloeien in een nog- onontwikkeld, beperkt en nog onafge werkt geestelijk creatuur.
Op
leerden dan ook onze vaderen, en leeren wij met bij zijn beste werken, voor wat ontde plaatsbekleedende gerechtigheid Christi behoeft, en voor wat er is de bedekking niet ontberen kan van de verzoening die er is in zijn otferande. En dienovereenkomstig voegden we aan deze beide daarom ten slotte nog deze stelling toe: Voor het bewustzijn van Gods uitverkorenen wordt hun schuld al grooter en hun heiligheid al meer onvoldoende. De schatten die er in het bloed van den Zoon van God, in zijn kruisverdiensten en in zijn doodsangsten liggen, zijn dermate overrijk en overheerlijk, dat men eerst van lieverlee en allengs ook dan nog slechts bij benadering, er de onbeschrijfelijke majesteit van kennen leert. Deze verworven schat van balsem der ziel is namelijk van dien aard, dat hij niet dan door hem op de wonde te leggen kan gewaardeerd worden. Hoe verder men dus doordringt in de kennisse der zonde en op die telkens beter gekende zonde voller en overvloediger dat bloed van den Zone Gods ter verzoening door het geloof toepast, des te onbelemmerder wordt ook ons inzicht in het wonder van Golgotha. En dat langs drieƫrlei weg. Allfir eerst doordien Gods kinderen, eerst bij voortgang in geestelijk leven, een ook maar eenigerraate adaequaat inzicht krijgen in het dirp verderfelijk weezen der zonde als zonde. Hoe hooger men klimt hoe ontzettender het inzicht wordt in de diepte waarin men dreigde neer te storten. En zoo ook wordt eerst bij ons wassen in genade van
dien
grond
hen, dat een kind Gods, zelfs nog de aanvulling van breekt
voor ons oog de schrikkelijkheid des verderfs openbaar waarvan de Heer der heerlijkheid ons door zijn bloed en tranen heeft
lieverlee
verlost.
Dan
gaat
kimme
eerst
bij
van
het rijzen van de
Zonne der gerechtigheid boven de
licht over ons verleden op, waardoor we in der waarheid ons vroeger leven buiten den Christus leeren haten en verfoeien. Wel snijden we dit leven reeds af bij de bekeering, maar meer instinctmatig dan met klaar bewustzijn, en dat wel om de eenvoudige reden, dat de maatstaf om zonde en heiligheid te meten ons dan nog
lieverlee
dat
vollere
ontbreekt.
Maar krijgen we daar allengs kennis aan, dan begint ook dat verleden al zwarter te woorden, niet om ons bij vernieuwing de ziel te beangstigen, maar om steeds dieper en voller ons te baden in de heerlijkheid van die kruisverdiensten, waardoor we van zulk een schuld zijn verlost.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's