Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Honig uit den rotssteen - pagina 174

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Honig uit den rotssteen - pagina 174

3 minuten leestijd

160 dezen bezielenden naam „Heere der heirscharen" het meest schittert. Als wij ons klein in ons zelven gevoelen, en ophielden hoog van ons zelven te denken; en we in de wereld het niet vinden kunnen, zóó dat onze door onweder voortgedrevene ziel schuchter ineenkrimpt in haar verlatenheid, in haar eenzaamheid en dat er met niemand meer zielsgemeenschap is, en alles tegen haar aan schijnt te bruisen; en de booze machten van duivel, zonde en wereld misbruik van dien toestand maken, om onze toch al benauwde ziel, nóg enger ineen te drukken, terug te dringen, en onder den stroom te duwen, dan, in die ure, o, mijn broeder, verschijnt de Hoogheilige u als Heere der heirscharen, en ontspringt er aan dien machtigen Verbondsnaam voor u een stroom van zielskracht en van troost. Want het bange voor de ziel in zulk een oogenblik is juist dat het opzien naar den strakken hemel niets geeft, en het roepen tot den ongrijpbaren God er bij ons niet uit wil. De hemel is ons dan even hol en ledig als ons ledig hart, en de Ontfermer tot wien we roepen een even eenzaam Wezen als de eenzaam verzuchtende ziel in ons. Zooals de hemel in onze ziel staat, zoo spiegelen we ons den wezenlijken hemel af, en zooals de ziel in ons er aan toe is, zoo stellen we in onze dwaasheid ons den Heilige voor. En daarom juist is het zoo onmogelijk, dat een zondig mensch ooit uit zichzelf vertroosting in zijn God zou vinden. Neen, die vertroosting komt eerst, als die levende God zelf tot ons komt, zich aan ons toont, zich aan ons zien laat, en zich dan zóó zien laat, als wij Hem juist in dat oogenblik behoeven. En zoo komt Hij dan, Hij de Algenoegzame, die ook u genoegzaam moest zijn, uit medelijden met uwe zwakheid niet alh'en tot u, maar van zijn heirscharen omringd. Voor u, in wien niets dan gedachten van verlatenheid waren, schuift Hij dan den sluier van voor den hemel weg en doet u opeens dat rijke, volle, heerlijke leven zien, dat daarboven, en toch dichtbij u, tintelt en bruist in al de slagorden des hemels, in al de heirscharen zijner heerlijkheid. Aan u openbaart Hij zich dan, met al zijn cherubijnen en serafijnen, met al zijn engelen en archangelen, met zijn wagenen tien en tienmaal duizend sterk. En uit het midden van dat onbeschrijflijke, onuitputtelijke, onafzienbare, rijke leven, dat zich eindeloos diep op den adem aller winden, door alle sferen heen uitbreidt, roept Hij, de Almachtige, de Ontfermer, de Vertrooster, u dan toe: „Zie, zulk ecu !" heerlijk God ben Ik, Heere dee heirscharen is mijn naam En nu gaat de ziel aan het indrinken van wat er uit dien naam vloeit. Die wereld die eerst zoo onmetelijk groot en machtig scheen o, vergeleken bij de arme, eenzame ziel in ons, wat is ze nu op haar beurt als een niet geworden en tot een stip ineen gekrompen, waarlijk die, jji, heerlijkheid van het vergeleken bij o/^eindige ;

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's

Honig uit den rotssteen - pagina 174

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's