Het heil ons toekomende - pagina 235
225 in uw kinderhart weg moest sterven, wijl de kanker in den wortel school, was terdege wel de aanduiding van de natuurlijke levensuiting, waartoe uw menschenhart komen moet, die bij uw
Wat
menschenhart komt, waarin uw menschenhart alleen gelukkig kan Ik ben uw Verlosser, maar wat Ik u breng, is niet een verminking of verandering, maar een herstelling en verheerlijking uwer natuur. Ook in mijn Koninkrijk kent het leven geen andere dan de drievoudige ontplooiing in geloof en liefde en hoop. Menschen roep Ik tot dat Koninkrijk, wijl alleen de mensch er op aangelegd is om uit de diepte van zijn wezen te gelooven, met het volle hart lief te hebben, met al de kracht zijner ziel te hopen !" En dan herstelt Jezus ons, en het gelooven keert terug, niet het gelooven dat des kinds was, maar een gelooven door genadegave des Geestes, in kracht onvergelijkelijk, in inhoud nieuw, in voorwerp geheel anders, maar niettemin in grondtrek aan het gelooven des kinds gelijk. Dan herstelt Jezus ons, en terug keert dat lievend dwepen en dwepend lieven onzer kinderjaren, waar de ziel zichzelf in verliest en een nieuwe jeugd voelt opkomen, maar in drijfveer geheiligd, in oorsprong goddelijk, in den aard der genieting van alle zelfzucht ontdaan. En zoo keert dan ook de hoop terug. Na het verbleeken onzer illusiën duiken voor ons zielsoog dan allengs de heiligheden en heerlijkheden Gods als bezielde, van leven vervulde, het hart wegsleepende idealen op. De hoop komt weer vernachten in onze ziel gelijk in de jaren onzer kindsheid, maar een hoop niet op 't aardsche, maar op het hemelsche gericht, een hoop zonder ongeduld, een hooj) die niet kan gebroken worden, een hoop niet uit het hart opgeklommen, maar in ons hart zijn.
nedergedaald.
Wie deze
Christelijke
zielkunde
tot
de
zijne
koos,
zal
het niet
vreemd meer vinden, dat we als kinderen zoo vertrouwend tot Jezus konden bidden, zoo innig en gemeend dwepen konden met onze liefde voor Jezus, en zoo, zonder zweem van twijfel, voor ons zelf en voor al de lieve gestalten uit onze kinderwereld hoopten op een samenleven met Jezus daarboven, eeuwig en altoos. Die zal begrijpen, dat op zulk een jeugd niettemin jaren volgen konden, en trad geen wedergeboorte tusschen beide, volgen moesten, waarin ons geloof zoo onderging, dat we aan Jezus nauwlijks meer dachten, niet meer tot hem baden, niet meer van Hem droomden; jaren waarin Jezus ons een koele naam in stee van het brandpunt onzer liefde was geworden; jaren waarin we speelden met illusiën, die alle hier beneden bleven, en waarin voor Jezus geen plaats was. Maar ook begrijpen, waarom het ons, na de daad van Gods eeuwige Ontferming aan onze ziel, bij het opleven van ons hart in Yerzoening en Opstandingskracht, soms zoo vreemd te moede was, als keerden we terug naar onze kindsche jaren, als doken de herinneringen uit dat eens afgeschudde verleden weer op, als herkenden we dat nieuwe leven, reddeloos
15
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's