Het heil in ons - pagina 187
177 hij kan het eenvoudig niet vervan zich zetten. Het is waar hij is. Het komt met hem ter wereld en gaat met hem in de eeuwigheid. Vernietigd kan een mensch niet worden en daarom ook niet het besef van Gods aanzijn, dat van zijn menschelijk bestaan onafschei-
indien
zijn,
delijk
hij
het
verliest:
uitschudden,
niet
liezen,
niet
is.
Kerk
uit, van deze waarheid legt spreken in de scholen der wijsbegeerte, maar om een iegelijk mensch, philosofen en geen-philosofen, in de consciëntie te raken en op de knieën te brengen voor de hoogheid onzes Gods, Er zijn geen atheïsten, leert de Kerk. Wel zijn er menschen, bij wie in den regel de indruk van Gods door hun routineleven, hun hoogmoedig bestaan, hun majesteit zinlij ke genieting of stotlelijke bezigheid onwaarneembaar is. Evenzoo stuit men, vooral in onzen tijd, op tal van individuen, soms op geheele levenskringen, die aan den indruk van Gods majesteit, waaraan ook zij zich niet ontworstelen kunnen, een andere verklaring zoeken te geven. Soms zelfs vindt men forsche karakters, wier streven opgaat in het rusteloos pogen, om het geloof aan Gods majesteit uit te roeien. Maar atheïsten, in den zin van menschen in wier innerlijk bestaan de indruk van Gods majesteit ontbreken zou, zijn er niet. Let wel, we bedoelen niet den indruk, die door de aanschouwing der natuur, of door den strijd van het zedelijk leven, of het rekenen met de geschiedenis wordt gewekt. Al wat buiten den mensch ligt laten we voorhands ter zijde. Het semen religionis, het zaad der godsvrucht, waarvan Calvijn en op zijn voetspoor onze groote theologen gewagen, ligt in den mensch als mensch, ook al sluit ge hem af van de natuur en van het menschenleven. „Om de aandoening van Gods majesteit te ervaren, zegt Calvijn, is het allerminst noodig, dat de mensch buiten zichzelven trede. In ons eigen wezen werkt de uitstraling van Gods hoogheid." Tot dezen indruk op ons hart werken wij zelven in niets mede. De mensch ondergaat dien indruk geheel lijdelijk. Gelijk het oog willens of onwillens den indruk van het licht ontvangt, zoo kan ook de mensch zich niet aan den indruk van Gods hoogheid onttrekken. Die hoogheid straalt in de onzienlijke wereld naar alle zijden met goddelijke majesteit uit, door niets gestuit, door niets tegengehouden, alles doordringend wat tot het domein van die onzienlijke wereld behoort, en daarom geen enkel menschenhart onaangeroerd latend, wijl de mensch naar zijn innerlijk bestaan wel terdeeg woont in dat l3it
feit
spreekt
getuigenis
ze
af,
de
niet
Christelijke
om meê
te
onzienlijke. volgt, dat dit „zaad der godsvrucht" op zichzelf noch erkentenis van Gods eigenschappen noch tot de doorgronding zijn wezen leidt. Zelfs dient erkend, dat dit innerlijk besef in
Eeeds hieruit tot
van
de
III
12
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's