Het heil in ons - pagina 227
!
!
217 ze zijn mochten, liepen teniet. Wat Buddha voor Azië en voor Europa deed heeft ongetwijfeld aanspraak op waardeering. Keeds onze Hervormers zagen in, dat het niet aangaat, deze uitnemende mannen uit de hoogte te veroordeelen. Veeleer erkenden ze, dat in deze betere genieën de spranken van hooger licht zich afzonderden van het zinneloos en redeloos bijgeloof; eerden ze hun optreden als sterk sprekende bewijzen, dat ook de volkeren der heidenwereld aan de leiding Gods niet onttrokken waren; en aarzelden ze niet, openlijk uit te spreken, dat de heerlijke denkbeelden, door deze mannen te boek gesteld, soms een voorspel schijnen van het lied der Ontferming, dat Christus onze verlorene wereld toezong. En toch, wat baatte hun woord? Bleek het niet telkens, dat het de kracht miste om tot God op te leiden, het menschenhart gezond te maken, de ziel te troosten en goddelijken invloed te brengen in huis en maatschappij ? Plato's volgelingen verkwisten en verspelen bet gouden kleinood, dat hij hun bood. Men behoeft Indië slechts met Engeland te vergelijken, om den onmetelijken afstand te gevoelen tusschen wat Buddha van zijn Hindovolken en Christus, onze Koning, van zijn gedoopte natiën
meend
Plato
maakte
Om natuur rijker
heen herhaalt zich hetzelfde verschijnsel. De openbaring menschenhart is nu wat ze w^as in Mozes' dagen. De
ons
Gods in is
het
niet veranderd.
geworden.
De
De
zedelijke
leerschool der geschiedenis
wereldorde
is
is
oneindig
doorzichtiger dan ooit.
Het veld der natuurlijke Godskennis is eer uitgebreid dan ingekrompen. En zie nu eens, hoe het him vergaat, die zich in onze dagen van de Openbaring des Woords afsluiten Eerst schijnt het of het hun werkelijk gelukken zal, tot den bouw van een heerlijken tempel te geraken. Ze hebben nog eenige vastigheid, waarop ze staan. Ze spreken woorden, die door de ziel dringen. Er is geestdrift in hun oog. Adel des geestes spreekt van hun lippen. Maar hoe kort houden zij het vol Wat brokkelen de muren, die ze een eindweegs optrokken, spoedig af; wat valt het hun moeilijk, ook maar een korte wijle hun hooger standpunt te bewaren! En dan, wordt al hun streven en peinzen als een ijs dat losraakte op den snel vlietenden stroom. Stelsel na stelsel komt op. Geen dat zich in een langeren !
een tiental jaren verheugen mag. Dan ontaardt hun een valschen gloed. Hun toon daalt. Het edele in hun optreden wordt al minder. Spoorslags gaan ze achteruit. Eenige klanken van vromen zin zijn niet langer in staat de innerlijke leegte te verbergen. Alle kennis gaat te loor. In twijfel gaan ze onder. Dan deelt zich de schare, en dan ziet ge den grooten hoop aan allen godsdienst den rug toekeeren, een kleiner deel zich terugtrekken in de kille vertrekken der wijsbegeerte, en hoogstens nog een kleine schare van kerkelijke personen en kerkelijk gezinden vasthouden aan een in beginsel godsdienstig streven, dat, tot Tantalusarbeid gedoemd, zijn beste bloei
daij
geestdrift
van
in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's