Honig uit den rotssteen - pagina 235
!
!
221 weggaat. Niet wee en ach klagen, als de herders weer voor het worgkoord spinnen, maar wonder opzien, als eens een enkele maal „trouwe herderen" op den troon, in de leerzaal en op den kansel gezien worden. Gods lieve volk moet zijn God gelooven, die gezegd heeft: „In de wereld zult ge verdrukking hebben" en niet altoos als een moedwillig kind denken „Ja, maar voor mij kan God wel een uitzondering maken. Ik wilde het nu zoo gaarne eerst goed op aarde en dan
oogenblik het
vlas
;
:
nog goed in den hemel er bij hebben." Dat is tegen het Woord in. Dan wili ge blijkbaar niet van de s/ac/i-^schapen zijn dan haat ge den eerenaam, die u aan den Man van smarte verbindt; dan wilt gij een „pronklam" zijn, met bloemen omkranst, zooals de priesters te Efeze hun opgepronkt otierbeest door de straten omleidden. D. w. z. dan zal de uitkomst zijn, dat ge hier gesierd en in de bloemen omloopt, maar bij uw sterven terecht komt op een altaar, waarbij men den Naam des Heeren niet kent. ;
Gelukkige,
fortuinlijke,
voorspoedige,
jubelende
personen
wilt ge
dan onder de kindereu der menschen zijn, en zie, even daarom wijkt dan de vertroosting Gods verre van uw hart. Want, hoor maar, wat is de naam, waarmee (iod zijn lieve volk toespreekt?
Noemt
Hij ze niet „zijti
eUendiyenf
Hier immers ook, in die prachtige profetie van de „slachtschapen", waarom zal de Heere zich hunner ontfermen? Zacharias, als tolk van den Heiligen Geest, zegt het u „Dies zal ik deze slachtschapen weiden, !" dewijl zij ellendige schapen zijn :
gekrenkt, getrapt, vertreden waren, omdat ze aan toe zijn, juist daarom wordt het hart van den eeuwigen Ontfermer over hen gaande gemaakt. En nu niemand ze weiden wil, nu weidt Hij ze! Of twijfelt ge nog denkt ge nog Zoo erg hoeft het toch niet Lees dan in vs. 11 met eigen oogen wie de schapen zijn, die den Heere kennen: „Alzoo hebben de ellendigen onder de schapen, die op mij wachtten, bekend, dat het des Heeren woord was." Ellendig u voelen. Het nu opgeven. Geen raad of uitkomst meer zien. Voortgedreven worden als door een onweder. Gejaagd als de ree op de bergen. Moeten en niet kunnen. Niet kunnen en toch moeten. Gevleid in wat u zonde is en getergd in wat u heilig wierd. Hulpeloos. Weerloos. Neen, niet meer staande, maar ingezonken, neergevallen. En dan die „herderen", die u weiden moesten, daar voor en om u staande, met de wolschaar en het worgkoord en de goudschaal in de hand. Om dan benauwd, en alles donker voor oogen, in u zelf u terug te trekken, en ook daar van binnen, in uw hart, een wil te vinden die boos is, en allerlei hartstocht die misdadig woelt, en een gevoel dat u misleidt, en voor de deur van het hart .... een Satan die er in wil sluipen Juist,
er
zoo
omdat
diep
ze
zoo
ellendig
;
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's