Dat de genade particulier is - pagina 109
99
geen stroospier vooi; de „algemeenheid der genade" vordert, tenzij men ook alle dieren zaligen wou. Daarentegen vertoont ook na den zondvloed de bedeeling der genade nog even stellig als vóór den zondvloed een particuHei' karakter. Van de drie zonen van Noach toch komt over Chara en diens nakomelingen niet de zegen, maar de vloek; terwijl van de twee overige Sem zeer beslistelijk de drager der genadebelofte wordt, en Japhet geen uitzicht op heil behoudt dan door hem. Weer dus, evenals in Adams dagen, een diepe scheur door ons geslacht, waardoor de menschheid in deelen uiteenvalt zóó dat het ééne deel wel, het andere deel nie^ met genade verrijkt wordt. De poging bij Babels torenbouw, om deze deeling van ons geslacht te verijdelen en toch allen bijeen te houden, wordt zelfs opzettelijk als zonde van opstand en hoovaardij te keer gegaan. Waar de menschheid één en lotgemeen wil blijven, is het God, die ze verstrooit. En was reeds hierdoor elk denkbeeld van een „algemeene" genade uitgesloten en geoordeeld, nog veel krasser en- sterker wordt de leer dat „Christus voor de som van alle, uit een vrouw geboren, menschen gestorven zou zijn" weersproken door de roeping en benedijin<y van Abraham. De groote gedachte van Gods wei'k aan en in en met dezen vader der geloovigen is toch het uitkiezen van éénen, met prijsgeving van alle overigen, om eerst in later eeuwen uit het zaad diens éénen, weer heil naar de afstammelingen van die overigen te doen toe;
:
vloeien.
Dat „de prijsgeving dier overigen" leer der Schrift is blijkt uit wat Paulus in Rora. 1 24 door den Heiligen Geest openbaart: „Daarom heeft God hen ook overgegeven, in de begeerlijkheden hunner harten, en gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zoo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin."" Al behoort dus wel terdege in het oog gehouden, dat ook de volkeren buiten Abrahams familie nog lange jaren een flauwe kennis van den levenden God, deels uit de Paradijstraditie, deels uit de zienlijke dingen, overhielden, en zóó Melchizedek als Abimelech, zóó Jethro als Egyptes Farao, elk denkbeeld van algeheele verzonkenheid der toenmalige geslachten in het Paganisme (afgoderij) uitsluiten, zoo staat het feit dat de „reddende genade" zich van hen afkeert,' om zich op Abraham te concentreeren, niettemin onomstootelijk vast. Juist door de afzondering van de „familie der genade" wordt hetgeen buiten die familie destijds nog op aarde leefde, feitelijk buiten de bedeeling der genade geplaatst, alsnu overgelaten aan de natuurlijke ontwikkeling van het kwaad dat er in zat; en aldus die duisterheid over den geest des menschen uitgegoten, die de volken blind maakte voor den levenden God en op de knieën bracht voor de afo-oden. :
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's