Het heil in ons - pagina 23
13 goten zien na een langen dag van genieting in de open lucht, als hij moêgeloopen en gerend, moégestoeid en moêgesprongen, eindelijk niet meer kan, en nu wegzinkt in zoo diepen, vasten, onverbrekelijken slaap, dat ge hem toeroepen en opnemen en heen en weer schudden kunt, zonder dat de oogen ontluiken of de spieren haar werking hernemen. We stemmen toe, ook dat beeld is nog te zwak. Het was nog geen slaap „in de dooden," maar het brengt ons het verschil tusschen wakker worden en opstaan toch nader. Bij anderer slaap mogen geest en wil nog heerschappij genoeg behouden, om het loome lijf op gezetten tijd tot ontwaken en opstaan te dwingen, bij dien knaap is daar geen sprake van. Slechts in één, maar uiterst gewichtig punt, wijkt ook zijn slaap nog van den slaap des zondaars af. Hoe diep, in wat vasten slaap ook verzonken, eens is die knaap toch M^7geslapen. Ook al raakt ge hem niet aan, ook al bleef het nachtelijke stilte om hem heen, toch zou er een oogenblik komen, dat de slaap aan hem verzadigd was en het eerst toegeklemde oog zich vanzelf opende. Maar ook dit sluit de bijvoeging: „staat op uit de (/ooden'^ volstrekt uit. De slaap van den zondaar is geen slaap die de kracht allengs herstelt en vanzelf een einde neemt. Het is een slaap, die al dieper neêrstoot, verder den geest verdooft en uitbluscht en nooit genoeg aan zijn al prooi heeft, maar eeuwig zal zijn om eeuwig zijn buit te behouden. Uit zulk een slaap kan men niet zelf wakker worden. Evenmin wakker worden op het enkele geluid af van den roepende. Hem die roept hoort men niet. Het woord dringt niet door. Tot in den verbijsterenden droom mag soms een enkele klank natrillen, maar die, in den droom opgenomen, de verschrikking slechts banger maakt, zonder kracht of wil tot opstaan te leveren. Er moet meer dan een geluid tot dien slapende komen. De slaap, die hem beving, moet eerst gebroken. Tot dat breken kan ook het roepend woord middel zijn, maar éénig middel nooit, tenzij één, wiens stem doorgaat tot het merg en de samenvoegselen der ziel, dat woord in de diepste kern van zijn wezen weet te brengen, waar het rad van zijn wilsbeweging roerloos omklemd werd gehouden door de macht van den doodsslaap, waarin
wegzonk. dat wakker worden is hij zelf derhalve lijdelijk. Hij wordt wakker gemaakt. Hij wordt gewekt. Indien niet een macht van buiten tot hem trad, hem aanraakte en op hem werkte, hij zou stoorloos voortsluimeren zijn nimmer eindigenden slaap. Geen „stok of blok" was hij daarom in zijn sluimeren. Om te kunnen slapen moet er nog een innerlijke bewerktuiging zijn. Om den slaap van den zondaar te kunnen sluimeren, moet men nog mensch zijn, deelachtig onzer hij
Bij
natuur. Na dat wakker worden die
de
straks zijne
komt het opstaan. Om op te staan doet hij, nog sliep, zelf iets. Zij het ook dat de toegestoken hand, omklemmend, hem overeind haalt, optrekt en schier doet
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's