Het heil ons toekomende - pagina 255
246 menschen,
in
ik,
zijn.
de
hoogere eenheid
ligt,
die ziel en lichaam
vereenigt.
in den Christus. De mensch Jezus Christus neemt moede, weent, lijdt, sterft, niet de eeuwige Zoon. En evenzoo omgekeerd, de eeuwige Zoon is in den schoot des Vaders, heeft heerlijkheid in eeuwigheid bij den Vader, is uit den hemel neergedaald en is nochtans in den hemel, niet de mensch Jezus Christus. Desniettemin schrijven de Evangelisten niet: de mensch Jezus weende, maar „Jezus weende," en niet: de eeuwige Zoon was eer Abraham was, maar „eer Abraham was ben Ik." En terecht, want het is juist in den godmenschelijken persoon van den Messias dat de eenheid der beide naturen ligt. Dat deze aanneming onzer natuur mogelijk was ligt aan twee
nu ook
Zoo
spijze,
is
oorzaken. Vooreerst aan de nauwe betrekking waarin de menschelijke natuur tot de nature Gods geschapen is. De mensch is van Gods geslachte.
De
wordt genoemd „Adam, de zoon van God." Tot bestemd, die uit menschen geboren zijn. De ons „der goddelijke natuur deelachtig te worden." „Zijt heilig, gelijk Ik heilig ben," bindt God in zijn Woord aan menschen op het hart. „Weest gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is," is de hooge eere waartoe de Christus ons verwaardigt. Op de innigste gemeenschap met het leven Gods is de mensch derhalve aangelegd; de mogelijkheid van die gemeenschap is in zijn de voleinding van Gods raad zal de verweschepping geordineerd eerste
mensch
„kinderen Gods" Apostel vermaant
zijn
:
zenlijking der verordineering toonen.
Met den mensch,
met eenig ander schepsel, zelfs niet met de gemeenschap mogelijk. Hij neemt de natuur der engelen niet aan, maar het zaad Abrahams. De mensch is bestemd om een woonstede Gods in den Geest te worden, een tempel Gods, een tempel voor God den Heiligen Geest engelen,
is
die
niet
innige
zijn hart.
Werpt men derhalve tegen, dat tusschen de natuur Gods en de des menschen de tegenstelling van het oneindige en eindige bestaat; een klove vormend, die niet is te dempen; we vragen op
natuur
onze beurt of tusschen ziel en lichaam niet de tegenstelling van het onzichtbare en zichtbare bestaat, die evenmin voor oplossing vatbaar is. Toont desniettemin de ervaring dat dit onzichtbare en zichtbare in onze menschelijke persoonlijkheid feitelijk vereenigd is, evenzoo toont de schepping des menschen, dat er werkelijk verwantschap tusschen den oneindigen God en den eindigen mensch bestaat. Toch zou men zich vergissen, zoo men deswege het mysterie in den persoon van Christus loochende. Bij den mensch is het de mensch die God in zijn hart opneemt. Bij den Christus is het de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's