Het heil in ons - pagina 76
66 voege uit: „De Heere verlost zijn uitverkorenen in dit leven niet ganschelijk van het vleesch en het lichaam der zonde," (hoofdst. Y, art. 1), weshalve „aan de alderbeste werken der heiligen ook gebreken
kleven"
(art.
3).
ten bewijze dat de Kerk in deze landen hiermee slechts uitsprak wat de Gereformeerde Kerk alomme en allerwegen beleed, sta hierbij, dat de eerste Schotsche Confessie in haar 15de artikel eveneens verklaart: „Ook indien we na onze bekeering voorwenden dat we geen zonde meer hebben, bedriegen wij ons zelven en is de waarheid in ons niet, want niemand op aarde, dan 'Christus alleen, heeft ooit de gehoorzaamheid der wet volbracht, volbrengt die of zal die ooit volbrengen, gelijk God die eischt." Dat de Tweede Zwitsersche Confessie zegt: „Ook in de wedergeborenen blijft de zwakheid, want overmits de zonde in ons woont en het vleesch in ons worstelt tegen den geest, kunnen de heiligen tot aan het einde huns levens niet volkomenlijk volbrengen" wat ze schuldig zijn (art. 9). Dat de Belijdenis der Fransche broederen belijdt: „De vrucht der zonde is zoo schrikkelijk, dat de allerheiligsten zelfs, hoewel ze haar weerstaan, toch zoolang ze in dit leven zijn, aan haar besmetting en de zwakheid niet kunnen ontkomen" (art. 11). Dat de Engelsche broederen in hun Confessie van 1553 verklaren: „Ook in de wedergeborenen blijft de verdorvenheid der natuur, zoodat het bedenken des vleesches zich ook in hen niet aan de wet Gods onderwerpt" (art. over de erfzonde) en in die van 1563 betuigen: „Ook wie in Christus wedergeboren is, struikelt in vele en misleidt zich zelf, zoo hij waant zonder zonde te zijn" (art. 15). Dat de Boheemsche Gereformeerden leeren: „Er is niemand die Gods geboden volkomenlijk houdt. Niemand die niet zondigt" (art. 7). En dat de Duitsche Gereformeerden, om nu van de Polen en anderen niet te gewagen, met zoo vele woorden bekennen:
En
;
„In dit leven kan niemand de wet Gods houden, maar begaan we gedurig tekortkomingen en struikelingen, waarvoor we eiken dag Gods genadige ontferming hebben in te roepen" (Conf. March. III, art. de gratia § 10). Eveneens zij hier herinnerd, dat de Luthersche Christenen op dit stuk evenzóó dachten, en aan de zijde der Gereformeerden, tegenover heel het heir van ketters en dwaalgeesten staan. Zoo schreef Luther „Immers staat dit bij ons vast, dat in zijn Groote Catechismus § 3 geen mensch ter wereld de tien geboden Gods ten volle en volkomen houden kan." Zoo lezen we in de Augsburgsche Confessie „Weshalve wij der Wederdooperen leer verwerpen, alsof iemand in dit leven zoo ver in heiligheid vorderen kon, dat hij niet meer zondigde" (Art. 13 § 19), en desgelijks in de Apologie van deze Belijdenis „Waartoe lang over deze volmaakbaarheid gesproken? Heel de Schrift, heel de Kerk roept ons toe, dat geen mensch aan de wet kan voldoen. Zoolang we leven blijft er zonde in ons, weshalve ook de heiligen om ver:
:
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's