Het heil in ons - pagina 191
181
Zoo nu ook
met den spiegel, dien de Heere zich geformeerd des menschen. De spiegel van dat hart is in den zondeval gescheurd, gespleten, gebroken en aan alle kanten verbrijzeld, en voorts door de werkelijke zonden met stof en vlekken overdekt en bezoedeld. Maar niettemin blijft het gebroken glas toch glas, d. w. z. het blijft desniettegenstaande, ook in zijn vergruizelden staat, het verheeft
in
het
is
het
hart
de eigenschap bezitten, om het licht op te vangen en terug Yandaar dat ook de mensch in zijn gevallen staat aandoenlijk blijft voor de uitstraling van Gods mogendheid. Ook op de scherven en kanten van de glasstukken, waarin de spiegel van zijn hart uiteenviel, speelt het licht van de majesteit des Heeren, teekent er zich schel op af en maakt zijn aanzijn waarneembaar. Slechts hierin de gevallen van den nietgevallen mensch onderscheiden, dat het is beeld Gods, waarvan de ongebroken zielsspiegel het zuivere afschijnsel opving, door de scheuren en vlekken van den gebroken spiegel onzichtbaar is geworden. Het licht vindt nog zijn aansluiting, het beeld niet meer. nu te kennen te geven, dat noch dit licht noch dit beeld uit den spiegel zelf voorkomt, maar er slechts in wordt afgekaatst, maakt onze kerk onderscheid tusschen oorspronkelijke en afgeleide of, wil men, tusschen inwonende en afgebeelde Godskennis. Oorspronkelijke, inwonende kennisse van het Goddelijk wezen bezit alleen de Heere zelf. „Hem zelf bekend en niemand nader," zingt het engelenchoor in Vondels Lucifer. „Memand heeft ooit God gezien; de ééniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons uitgelegd," schrijft de Evangelist en Apostel. „Niemand kent den Vader dan de Zoon en wien het de Zoon wil openbaren," getuigde Jezus, onze Heere. De kennisse van zijn wezen is in God zelf oorspronkelijk; door niemand is ze Hem aangebracht; niemand heeft Hem de mysteriën van zijn eigen wezen ontsloten; ondoorzoekelijk zijn zijne gedachten en onnaspeurlijk zijn wegen, doorzocht en nagespeurd door Hem zelf. En ook, inwonend is die kennisse Gods in God zelf alleen. Denk u alle schepsel weg, denk u terug achter den dageraad van den scheppingsmorgen, toen in het ongeboren licht nog niets was dan het eeuwig Wezen, zich verlustigend in eigen heerlijkheid, en door alles buiten God weg te denken, ontneemt ge aan het volle, diepe en doorzichtige zijner eigene Godskennis nog geen stukske. Maar alzoo was de aangeboren Godskennis in den nog onzondigen mensch niet, ook niet vóór zijn val. In den mensch is niets oorspronkelijks, allerminst de kennisse, die hij van den Almachtige bezit. In den mensch is slechts datgene, wat van buiten tot hem komt. Zelfs het aangeborene is den mensch niet oorspronkelijk eigen, maar hem gegeven, van elders toegekomen, uit een bron, die buiten hem ligt, afgeleid. Er is niet in den mensch een zekere wetenschap over God,
mogen en te
kaatsen.
Om
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's