De leer der Verbonden - pagina 24
l-t
de Heere, juist om het geestelijk leven in den mensch mogelijk maken, van den troon zijner majesteit af klimt, zich tot den mensch nederbuigt, op zijn levenspad naast hem komt wandelen en met hem, naar menschelijke wijze handelend, als een man met zijn broeder spreekt en als een vriend met zijn naaste. Iets waarin nu weder volstrekt geen verloochening van het Goddelijk karakter ligt, maar integendeel van dat Goddelijk karakter de rechtstreeksche uiting. God de Heere schiep immers alle ding om Zichzelfs wil. Zijn lieve kinderen om door hen geliefd te worden. Niet alleen in het liefde geven nu, maar ook in het geliefd worden, in het dorsten naar liefde, spreekt zich Gods heerlijkheid uit. En overmits een slaaf wel voor ons kruipt en een die van ons leeft ons wel vleit, maar een kind, een vriend, een broeder, een bruid door liefde wordt gedreven, zoo is het eisch van Gods Wezen, om, opdat Hij gemind worde, niet met kruipend gevlei, maar met teedere liefde, zijn schepsel zijn kind te doen worden; dat zijn creatuur als vriend voor hem trede; dat de mensch broeder worde van den met God eenswezenden Zoon en dat die Zoon de gemeente en in die gemeente de zielen huwe, gelijk een bruidegom zijn bruid. Er moet dus een vrije betrekking geboren worden. Zich tot het schepsel neder te buigen en naast het schepsel te gaan staan uit ondoorgrondelijke, peillooze goedertierenheid, vloeit dus rechtstreeks daaruit, dat God „God" is voort. En, overmits God de Heere nu, alzóó tot den mensch naderende, geen macht boven zich heeft, zoo volgt hieruit, dat God óf met den mensch in geen neerbuigende
God te
;
kan treden, óf wel dat zich die betrekking uiten den vorm van het Yerbond. betrekking
7noet in
nog dieper kan en moet dit ingedacht en teruggeschoven de huishouding van het Goddelijk Wezen in zichzelf, d, w. z. tot de onderlinge levensbetrekking van den Yader, den Zoon en den Heiligen Geest. Een iegelijk die door Gods genade belijden mag, dat de Heilige Drieëenheid niet maar een gebrekkige vorm is, om het Wezen Gods voor te stellen, maar de wezenlijke, door Hem zei ven geopenbaarde uitdrukking voor de verborgenheid van het Goddelijk leven, die weet, doorziet en erkent dan ook, dat er van alle eeuwigheid af een betrekking, een levende betrekking, een bewuste betrekking, ook tusschen den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest heeft bestaan. En omdat nu Vader, Zoon en Heilige Geest elkanders „gelijken" zijn, en er geen, boven deze Drie staande, denkbaar is, zoo volgt hieruit, dat dus ook de onderlinge betrekking tusschen deze drie Personen in het Goddelijk Wezen rusten moet op het wederzijdsche woord, op wederzijdsche wilsverklaring, op even gelijke Wezensuiting, en dus den Ja,
tot
in
zelfs
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's