Honig uit den rotssteen - pagina 247
!
!
233 nog. Een „mooi kind" van God te krijgen, vooral indien het een meisje is, dat vinden we rijk. Maar zie in Jobs bitter ongeluk, ging ook dat lieve van zijn kinderen onder, al die vriendelijke, bezielde, schoone trekken van zijn kinderen zou Job nooit meer zien. Ai mij, onder het puin van het instortend feesthuis was al die lust zijner oogen en al die weelde van zijn hart voor altijd bedolven. Och, men leeft zoo weinig in die
dingen in, maar anders, denk eens wat het voor Job op den aschhoop zou geweest zijn, als onder al die krenkende, bittere smart nog een van die lieve kinderen naar hem toe had kunnen komen, en al was het maar uit de verte hem had kunnen toeroepen: „Lieve vader, lijdt u zoo schrikkelijke pijn!" o. Een traan in het kinderoog ware zoeter balsem in zijn wonde geweest, dan al het troostbetoog van zijn vrienden.
Maar Job Job
er
nu aan
zie, is,
en
geestelijk
alles
weer
Maar toch ook nog
het einde, bij de oplossing van het raadsel, als weer opleeft, wat zien we dan? Dat de Heere den stengel zijner ziel opbuigt? o. Zeer zeker.
iets anders.
„Genade en eere"
zal
Hij geven.
En
wordt Job niet alleen aan zijn ziel versierd met genade, maar ook uitwendig weer groot, glorieus en rijk. En rijk waarin? Letterlijk in alles wat een menschenhart begeeren kan. Ook daarin dat Job weer schatten van kinderen krijgt. Zeven heerlijke zonen met drie dochteren, en hoor, niet alleen drie meisjes, maar drie meisjes die zeldzaam schoon, de schoonste dochteren van zoo
het land zijn.
Zoo is de rijke God Wij zouden zeggen: Wat doet dat er nu toe, of die meisjes die Job kreeg, ook schoon zijn; als ze maar lief en vroom waren. Maar God de Heere zegt Neen, na en bij al dat andere is ook de schoonheid een sieraad, schoone dochteren te hebben eens ouders glorie, en ook met die glorie bekleed Ik mijn knecht Job. Ja, zóó zelfs wordt op die schoonheid nadruk gelegd, dat we vernemen, hoe de schoonheid van deze meisjes, niet maar kindermooi was dat bij het opgroeien vervaalt, neen, maar dat heur volle schoon eerst uitgroeide toen ze vrouwen waren, en dat toen in gansch dat land geen vrouwen gevonden werden zoo schoon als die dochteren :
van Job. Die schoonheid heur wezen, dat
was zelfs derwij s de harmonische uitdrukking van een naam ontvingen waarin dat schoone wezen Jeinima, zoo schoon als een duive, Kezia, de afspiegelde zich geurende schoonheid, maar als de allerschoonste Keren-Happuch, het inbegrip van overvloeiende aanvalligheid, een wandelende gratie :
ze
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's