Honig uit den rotssteen - pagina 144
130
XLVI. ap»tj
ber^mcït mtj Gij
ïjet
heft mij
daarop rijden
taesenl
Gij doet mij op in den wind en Gij versmelt mij het wezen. ;
:
Job. 30
:
22.
Klaag toch niet te bitterlijk, ook al is het dat uw harp tot een en, om rouwklage wierd of uw orgel tot een stemme des geweens niet in te bittere klacht te verzinken, leer aan Job wat het hooge doen des Heeren is met het verpletteren van zijn heilig kroost op aarde. hier is dan die Job. Die Job is een wonderlijk heilig kind Zie, des Heeren. Niet heilig, als ware hij de zonde te boven. Och, neen, Job is als onzer één. Als gij en ik. En zoo hij al recht loopt, is het de Geest in hem, die hem stiert en ophoudt. Maar heilig is Job, omdat God scheiding in hem heeft gemaakt tusschen wateren en wateren, omdat het droge in zijn hart is gezien, en God er in heeft doen uitspruiten. Heilig, omdat hij, vallend of opstaand, apart is gezet als een vat voor zijn God. Hem tot een instrument. Tot een der raderen en veren in zijn heerlijk werktuig van genade. En wat overkomt nu dien Job? Dit ijslijke: Satan sart God. Satan sart God in zijn vromen. Satan fluistert maar aldoor, dat het geen echt werk in die kinderen der verkiezing is, ook al is het een werk van den Heiligen Geest. En nu moet er, om dat sarren den mond te stoppen, een van die lieve kinderen Gods in den smeltoven. Dat Satan het ziet, moet er Hij zal hem zoo diep één uitgekozen, met wien God dit doen zal wonden en uitstroopen als er maar ooit een gewond en uitgestroopt kan worden. Aan dien gansch vertredene zal God de Heere al zijn vertroostingen onttrekken. Niets dan de azijn van anderer tergenden smaad zal in zijn wonde worden gedruppeld. En de Heilige Geest zal in plaats van hem inwendig te troosten en te verkwikken, schuil gaan voor het bewustzijn zijner ziel. En als het dan zoover met dezen ;
:
ellendige
zal
gekomen
zijn,
dat Satan
hem
niet dieper trappen kan,
zóó ver dat Satan zich aan hem vermoeid en zijn woede aan hem uitgeput heeft, dan zal die ellendige uit het slijk en uit de modder weer worden opgehaald, en zal God aan Satan zelf vragen Of hij nu maar het hart van dien Job eens bezien wil, en of de genadegave, er onder en door en na dat alles, niet nog even heerlijk en gaaf en rein in over is, als vroeger. Dan trekt Satan met schaamte af; God is heerlijk gemaakt; de onuitdelgbaarheid der genade is even schitterend uitgeblonken als de echtheid van het genadeleven; en aan Job is de hooge eer te beurt
ja
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's