Het heil in ons - pagina 64
54
den Zoon des menschen, die niet gevallen was, en die gevallen schepwaaraan hij zich verbonden had. Maar hij was de sterkere, en daarom trok hij dat vleesch, die wereld, met zich op in den hoogen stand, waarin hij zelf stond. Dat is zijn opstanding ten derden dage, die dus geheel wordt weggecijferd, indien men niet al den nadruk juist legt op de lichamelijke verrijzenis, de opstanding van het ping,
vleesch.
Door
die opstanding is het lot der schepping beslist. Zich van dien
losmaken, kan de schepping niet meer. De individuen, die door hun ongeloof van den Cliristus scheiden, scheiden zich daarmee tevens van het lot der schepping af; ze vervallen aan het verderf. Maar die schepping, met al haar krachten en machten, hoe ze ook tegenworstelen, moet aan den Christus onderworpen worden. In zijn opstanding heeft hij hajir feitelijk overwonnen. Ze moet worden, wat hij wil dat zij zijn zal, en wat hij wil dat ze zijn zal ligt geprofeteerd en gewaarborgd in zijn eigen verheerlijkten persoon. Zoo loeren het de Apostelen des Heeren. Wie deze gewichtige openbaring uit het oog verliest, kan niet verstaan dat „hem alle dingen onderworpen zijn" (Ef. 1 22), noch ook dat het 's Yaders welbehagen is, dat hi] alle dingen verzoenen zou tot zich zelven, hetzij de dingen die op de aarde zijn, hetzij de dingen die in de hemelen zijn" (Col. 1 20). Of is het voor tegenspraak vatbaar, dat „alle dingen die op de aarde en alle dingen die in den hemel zijn" te zamen uitmaken de gansche schepping? Uit die opstanding van Christus vloeit dus tweeërlei wedergeboorte voort. Ten eerste de wedergeboorte van den gevallen mensch; en ten tweede de wedergeboorte van de gevallen schepping. Op de vraag: „Wat nut ons de opstanding van Christus?" antwoordt de Heidelbergsche Catechismus volkomen juist: „Ten andere, worden wij door zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven;'* waarmee dus de oorsprong van onze wedergeboorte wordt aangewezen in de opstandingskracht van Christus. Geheel overeenkomstig de stellige verklaring van den Apostel: „Die u wedergeboren heeft tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden." Doch de Heidelberger weet evenzeer, dat hiermee de vrucht van Jezus' opstanding nog slechts ten deele is uitgesproken, en hij voegt „Ten derde, dat zijn opstanding ons het onderpand is, er daarom bij niet van onze opstanding, want ook de verlorenen zullen opstaan, maar van onze „zalige opstanding." Wat nu veronderstelt een zalige opstanding anders, dan dat het een opstanding zal zijn in een rijk der heerlijkheid; en hoe zal dit rijk der heerlijkheid anders uitbreken, dan door de wedergeboorte, of wil men, de wederoprichting aller dingen ? De band, die onze wedergeboorte aan de wedergeboorte der schepping verbindt, ligt dus niet in ons, maar in den verrezen Heiland, den Christus
zich
:
:
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's