Honig uit den rotssteen - pagina 302
;
288 Dit nu doet de Heere onze God niet; en overmits men dan toch, zoo gaarne in het einde de zalige zielrust wil smaken, van gekozen te hebben naar de keuze des Heeren, maakt men zich dan diets, en beeldt men zich dan in, en praat men zich dan aan, dat zekere oübeschrijlbare gemoedsaandoening een werk des Heiligen Geestes in ons was. Deze weg is hoogst gevaarlijk; hij loopt uit op het pad der geestdrijvers en der dwepers met het inwendige licht. Onze vaderen hebben dien weg dan ook nooit verkozen. Eer er steeds van afgemaand. Zij richtten zich steeds naar de Schrift. o,
En vraagt ge of de Schrift dan iets anders ons op het harte bindt, dan kan het antwoord heusch, niet twijfelachtig zijn. Immers hetgeen waar de Heilige Geest door den heiligen apostel ons toe manen laat, is volstrekt niet een nu en dan, bij enkele keerpunten, vragen naar den wil des Heeren, maar een „vervuld worden met de kennisse van zijn wil in alle wijsheid en geestelijk verstand." Zie Col.
1:9.
Dat hier sprake is van den dus juist van hetgeen waarop
te
kiezen en den te bewandelen weg,
het hier aankomt, blijkt uit hetgeen
volgt: vervuld worden met de kennisse van zijnen wil, moogt wandelen waardiglijk den Heere, in alle goed werk vrucht dragende en wassende in de kennisse des Heeren (vs. 10). Het in het oog loopend verschil bestaat dus hierin, dat wij, o, zoo gemakkelijk dagen en weken achtereen onzeu weg kunnen loopen, zonder ons in den wil Gods te verdiepen, om dan enkele malen, in moeilijke aangelegenheden, om een openbaring van boven te bidden terwijl omgekeerd de Schrift ons henendringt naar een gestadig vragen naar den wil des Heeren, om aan zijn paden gewend te worden, en juist door dien gestadigen omgang met den Heere alzoo vertrouwd te worden aan zijn gangen, dat ook in moeilijke en hachelijke levensoogenblikken de overbuiging van den wil en de vastheid van keus
onmiddellijk
opdat
gij
naar zijn keus in ons binnenste niet ontbreke. Daarom heet het „vervuld worden met de kennisse van zijn wil," wat duidt op een vetten akker, die overvloedig gedrenkt en verzadigd is met de doorsiepelende wateren, en in niets denken doet aan een dorren en verzengden akker, waar nu en dan een karige regendrop op neerspet. „Vervuld zijn met kennis van zijn wil," is innerlijk doortrokken zijn van de beginselen en den geest van 's Heerea wet, en in die gestadige gemeenschap met Hem verkeereu, dat we als wandelen den Heere achterna. Daarom rept de Schrift dan ook niet van „aandoeningen" of van „gemoedsstemmingen," maar spreekt van „alle wijsheid en geestelijk verstand." We worden dus niet den weg opgedrongen, om ons den-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's