Heils termen - pagina 29
:
19
bekenden Naam samenvattend, gaat de God der vaderen alzoo voort „Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: Jehovah, de God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden dat is Mijn naam eeuwiglijk en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht." Wat onze Kantteekenaren bij vers 14 opmerken, dat men ook vertalen kan: „Ik ben die Ik ben," of ook wel: „Ik zal zijn die Ik was," moet niet zóó opgevat worden, alsof de beteekenis dezer heilige woorden onzeker zou zijn. Maar wijl onze taal mist, wat het Hebreeuwsch heeft: een vorm die te gelijkertijd het heden en de toekomst uitdrukt, wil onze Statenbijbel er op gewezen hebben, dat noch de eene, noch de andere vertaling de beteekenis dezer hoogheerlijke woorden uitput. Is het toch de „Eeuwige," die zich hier uitspreekt, en valt in het eeuwige juist het verschil van „heden" en van „toekomst" weg, dan wordt er, hoe men ook vertale, altijd aan den eisch der woorden te kort gedaan. Vertaalt men: „Ik zal zijn," dan moet het „Ik ben" er bij gedacht; of ook, zet men over: „Ik ben," dan moet het „Ik zal zijn" er onder begrepen worden. En vraagt men nu, Avat de beteekenis van dien „Jehovah-naam" in de ontwikkeling der openbaring was, dan antwoorden we met Calvijn: „De Heere verklaart hiermee, dat Hij alleen Zichzelfs en dus „eeuwig" is, en dat de grond, het wezen van alle dingen uitsluitend in Hem moet worden gezocht." :
het best doorzien, zoo we op het Openbaring, die thans aan Mozes gewerd, en die andere, die weleer aan Abraham gegeven was. Toen was het de Jil-Schaddaï, de Almachtige, die zich aan zijn uitverkoorne ontdekte; de God, die, feitelijk, door Isaac's wonderbare geboorte getoond had, leven uit den dood te kunnen scheppen. Maar denkt men zich nu terug in de dagen der Patriarchen; denkt men zich voor een oogenblik weg de openbaring, die, in Mozes en de profeten afgeschaduwd, ons in Christus gegeven is; denkt men zich dus voor een wijle zonder die kennisse van den Eeuwige, die voor ons thans van dan gevoelt men, dat in de gedachte aan God onafscheidelijk is, die Openbaring, wel de mogelijkheid, maar nog niet de zekerheid van het heil gegeven was. Er was gebleken, dat de Heere leven uit den dood kón scheppen, maar dat Hij dit zou doen, wist men nog niet. Dit zou eerst dan vast staan, als het openbaar was geworden, dat het „leven scheppen in den dood" uit Gods „Wezen" zelf voortvloeide, van het „Wezen" Gods onafscheidelijk was, en in dat „Wezen" zelf was gegrond. Welnu, dat juist is het, wat door den Heiligen Geest aan Mozes wordt bekendgemaakt. „De Heere zal zijn, wat Hij was." Dus, zooals Hij zich in Isaac's geboorte getoond heeft, zoo zal Hij blijken „Hij is, die Hij is." Dus ligt de grond van te zijn eeuwiglijk. zijn heilig werken alleen in Hem zelf, en heeft Hij aan Abraham
Wat
verschil
dit
in
heeft,
kunnen we
letten tusschen de
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's