Practijk der godzaligheid - pagina 112
104 als „herder" in den naam des Heeren te weiden. punt toch zeiden de dooperschen: „Nooit! Altoos lijdelijk !" Dies keurden ze dan ook den opstand tegen Spanje onvoorwaardelijk af. En toen Den Briel door de Geuzen was ingenomen, was er in Londen onder de Hollandsche Kolonie heel wat over dit afkeuren van den opstand te doen. Altoos hetzelfde dualisme. Niet de tegenstelling die ook ons met alle gereformeerden zoo van heeler harte uit de ziel perst „Niet ons, o Heere, uw naam alleen geef eere!" Neen, maar de belijdenis, dat wij stil moeten zitten, niets doen, en dat God de Almachtige dan redt en helpt buiten ons om, zonder menschen, rechtstreeks, door de natuur, door engelen of door den Heiligen Geest. Dit is zelfs de ondergang der dooperschen geweest. Toen het nationaal besef eenmaal op waakte en God de Heere zijn kerk hier een erve bereidde en den opstand tegen Spanje kroonde tot Spanje in zijn bloed wegkroop, toen kon geen opinie meer stand houden, die rechtstreeks het drijven Gods in zijn volk tegenstond. Onze gereformeerden hebben daarom ook op dit punt steeds de dooperschen weersproken, en aldus geleerd: Zeer gewisselijk is onderwerping aan de van God gestelde overheid plicht. Buiten allen twijfel staat het vast dat we aan onze overheid gehoorzaamheid schuldig zijn. „Weest dan alle machten die over u gesteld zijn onderdanig, want de machten die er zijn zijn van God." Wat de overheid gebiedt, moet derhalve gedaan, ook al komt heel uw rechtsgevoel er tegen op, ook al krenkt het u. Zoolang de gehoorzaamheid geen ander olfer vraagt dan van uw gemak, uw geld, uw lust, uw levensvreugd, hebt ge te gehoorzamen. Onvoorwaardelijk. Daarentegen, indien de overheid iets gebiedt, dat ingaat tegen Gods gebod of Godes eer of Godes kerk, dan moogt ge niet gehoorzamen. Dan moogt ge niet. De Heere God kroonde de overheid. Zij staat dus onder Hem. Haar macht en bevoegdheid eindigt derhalve, waar zijn gebod haar gebod ontkracht. Want wat ze daartegen doet of gelast, gelast ze niet meer als overheid, maar als zelve rebel tegen God. Waar dit „rebel zijn van de overheid" begint, is pijnlijk te beslissen. Ieder sta en valle daarin zijn eigen Heere. Geen muitzucht kan ooit gedekt door vertoon van den naam des Heeren. Maar ook medeplichtig worden aan de rebellie van uw overheid tegen den Heere der heirscharen, maakt u zelf rebel tegen God. In zulk een geval kome er dus „lijdelijk verzet." D. i. men gehoorzame niet. Wat de overheid gelast, late men desniettemin ongedaan. Wat ze verbiedt, doe men toch. Niet met vertoon, maar in stillen ernst. „Oordeelt zelf of het geoorloofd is ulieden meer te gehoorzamen dan God !" En ontvlamt de overheid daarover dan in woede en straft ze u met boete of met kerker of met geeselslagen, dan hebt ge dat te
in
stee
van
Ook op
het
dit
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's