Heils termen - pagina 120
110 Corintüe hadden hun zedelijken geloofsstrijd, gelijk wij den onzen kennen. Het „wij struikelen dagelijks in velen" zou op hun lippen allerminst ongepast zijn geweest. Van een volkomen staat der heiligheid, in den zin waarin Amerikaansche en Schotsche Christenen dit woord opvatten, is geen spoor in de tcekening van hun gemeenteleven te ontdekken. En toch, niettegenstaande die veelzijdige gebrekkigheid, ja ten spijt van die droevige uitbottingen der zonde in het jeugdige gemeenteleven, schroomt de Apostel niet, de gansche Gemeente als het erfdeel des Heeren toe te spreken, en hun toe te roepen: „Gij te
geheiligd." Aan het slot der Openbaring daarentegen roept Jezus zelf de zijnen toe dat die onder hen heilig is, nog geheiligd moet worden. Dit treft te meer, zoo we op den samenhang letten. Blijkens vs. 16 zijt
:
is
tot
het
de Koning van het Godsrijk
hier
Joannes spreekt, en
zelf,
die door zijnen Engel
hem aan
het slot zijner gezichten op Pathmos, al de kracht van zijn heilig woord geheel overplaatst in
nog eens met den glans der goddelijke heerlijkheid, die ons in den dag van zijn Toekomst beidt. „Ziet, Ik kom haastelijk en mijn loon is met Mij," klaarblijkelijk van uit dat eeuwige gesproken, dat voor den is Christus reeds een heilig
nog toekomende was.
heden, voor zijn Gemeente, zal men toegeven, dat, kon
Nu
vooral destijds, er vóór de af-
des vleesches van afsterving der zonde ooit sprake zijn, deze volkomen heiliging nooit met krachtiger doorbreking te wachten ware, dan in die dagen van gerichten en gezichten, van innigste verteedering en bangste verdrukking, die over de Gemeente komen moeten, als het Teeken van den Zoon des menschen zal verschenen sterving
dan zou men in die ure der verbijstering en veronmogelijkheid van struikeling denken kunnen, om althans de „heiligen der laatste dagen" zich voor te stellen, als rein van allen smet des vleesches en dies heilig in volstrekten zin. En toch, even als in den Corintherbrief, vindt men ook hier het omgekeerde van wat men op dat standpunt verwachten zou. Daar heiligverklaring der onreinen. Hier vermaan tot meerdere heiliging, bij wie heilig werden gewaand. Stond het woord van Paulus in den Corintherbrief alleen, men zou nog een uitweg vinden kunnen. Maar men weet dit is zoo niet. In gelijken zin als Paulus aan de Corinthiërs schreef, lezen we in den Hebreërbrief „in welken wil wij geheiligd zijn," en richt Judas zijn schrijven aan dezulken, „die door God den Yader geheiligd zijn." Men weet bovendien, dat de geloovigen der eerste eeuw telkens door den Apostel als „heiligen" werden toegesproken, en dat de Christenen ook van later eeuwen dit Apostolisch woord bevestigd hebben door een Kerk te belijden, die „Christelijk, heilig is en algemeen." En evenmin staat de uitspraak van Openb. 23 11 op zich zelve. zijn.
Zoo
brijzeling
ooit,
aan
:
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's