Dat de genade particulier is - pagina 246
236
Nu in onzen tijd, nu het niet meer in ons opkomt aan zulk een sclieidsmuur te denken, klinkt dit ons, we stemmen het volgaarne toe, eenigszins vreemd in het oor. Dat een „meid" minder goed in den hemel zou kunnen komen dan haar „mevrouw", komt ons geen oogenblik in de gedachte; dat een bekeerde Jood iets voor zou hebben boven een Germaanschen bekeerde, maakt voor al zeer weinigen een onderwerp van nadenken, uit; dat een man meer en beter in het Koninkrijk der hemelen op zijn plaats is dan een vrouw, is ons te onzinnig om in te denken; en te wanen, dat een Europeër wel, maar een Aziaat niet zou kunnen geroepen worden tot Christus, klinkt ons als de ongerijmdheid zelve toe. Maar in de dagen der Apostelen was dat heel anders. Toen dacht men wel terdege zoo, en was ieder er op uit, om de loketten en schotjes die de menschen tusschen elkaar hadden gemaakt ook
over te dragen op het Godsrijk. En indien men dit nu eenmaal weet en in het oog houdt, en dus wel in- en doorziet hoe de Apostelen altijd spraken en schreven voor menschen, die, als men het tegendeel er niet bij zei, uit zich zelven dachten, dat zulk een Evangelie alleen voor een bepaald volk, altijd of een enkelen stand, of een aparte klasse der maatschappij gold, kon het dan anders, zoo vragen we met ernst; was het dan anders te verwachten, en ligt het dan niet in den aard der zaak, dat de Apostelen er onophoudelijk bij zeiden: „Neen, niet alleen voor de Joden, maar voor heel de werel r\- „neen, niet alleen voor de bevoorrechte klasse, maar voor alle menschen'''' ; „neen, niet voor wie
—
tot
de respectabele lieden doorgaat,
maar voor een
iegelijk die
gelooft.''''
En
dat dit werkelijk het duidelijk uitkomend doel van de Apostelen was, kan dit helderder uitkomen dan door een eenvoudige verwijzing
naar de vele plaatsen, waar dit thema opzettelijk door hen behandeld
wordt?
Of deden we in het bovenstaande eigenlijk wel iets anders, dan een korte toelichting schrijven op dit bekende woord uit den Colosserbrief: „Gij hebt aangedaan den nieuwen mensch, die vernieuwd wordt naar het evenbeeld desgenen die hem geschapen heeft, waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid. Barbaar en Scyth, dienst21). knecht en vrije, maar Christus alles en in allen" (Col. 3 27: „Zoo velen als gij in Christus gedoopt Lees daarbij Gal. 3 zijt, hebt gij Christus aangedaan. Daarin is noch Jood noch Griek noch dienstbare noch vrije, daarin is geen man of vrouw, want gij zijt allen één in Christus Jezus." Gal 5:6: „Want in Christus heeft noch besnijdenis eenige kracht noch voorhuid." Of om de zaak nog 14 op, waar het scherper uitgesproken te vinden, sla dan Efeze 2 heet: „Want hij is onze vrede, die deze beiden één gemaakt heeft, den middelmuur des afscheid^els gebroken hebbende.'''' :
:
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's